Voor richtlijnen geldt dat er aantoonbaar "medische consensus" dient te bestaan binnen de beroepsgroep. Die consensus dient te worden ingevuld door de directe instemming van de beroepsgroep.
Voor richtlijnen waarbij de NVvH is betrokken wordt de instemming van de NVvH-leden verkregen via:
(lees het volledige NVvH richtlijnbeleid)
| Richtlijn |
Volledige naam |
Vindplaats |
Initiatief (evt. NVvH autorisatie) |
Jaar |
| ITP |
Nederlandse richtlijn voor de diagnose en behandeling van immuun trombocytopenische purpura bij volwassenen |
Artikel in Nederlands Tijdschrift voor Hematologie (www.ariezm.nl) Herziening in 2012 |
NVvH werkgroep niet-oncologische hematologie (goedkeuring ledenvergadering NVvH) |
2010 (wordt in 2012 herzien) |
| TTP |
Trombotische trombocytopenische purpura (TTP) |
NVvH - TTP richtlijn (addendum 8 februari 2011: sample protocol) |
NVvH werkgroep niet-oncologische hematologie (autorisatie NVvH-bestuur) |
2009 |
| Hemofilie en hemostase |
Diagnostiek en behandeling van hemofilie en aanverwante hemostasestoornissen |
U kunt de hemofilie richtlijn downloaden. Gedrukte exemplaren zijn aan te vragen bij Sanquin of het secretariaat van de NVHB: Dr. E.P. Mauser-Bunschoten; p/a Universitair Medisch centrum Utrecht; Postbus 85500; 3508 GA Utrecht; Telefoon 088-7558450; Fax 088-7555438 |
NVHB |
2009 |
| Hemochromatose |
Diagnostiek en behandeling van hereditaire hemochromatose |
Namens de NVvH had zitting in de richtlijnwerkgroep: dr. R.A.P. Raymakers Samenvatting in Nederlands Tijdschrift voor Hematologie (2009) (www.ariez.nl) |
NIV/NVKC-VAL (autorisatie NVvH-bestuur) |
2007 |
| Bloedtransfusie |
Richtlijn Bloedtransfusie |
Namens de NVvH hadden zitting in de richtlijnwerkgroep (herziening): prof.dr. D.J. van Rhenen, dr. J.J. Zwaginga, dr. B.J. Biemond, dr. J.Th.M. de Wolf (tot 30 01-04-2009), dr. R.E.G. Schutgens (per 15-04-2009) |
CBO (autorisatie NVvH-bestuur na commentaarronde onder NVvH-leden) |
2011
|
| Sepsis |
Antibacterial therapy of adult patients with Sepsis |
Namens de NVvH hadden zitting in de richtlijnwerkgroep: dr. N. Blijlevens, dr. J.J.W.M. Janssen |
SWAB (autorisatie NVvH-bestuur) |
2010 |
| Anemie |
Anemie Standaard M76 |
NHG |
2003 |
|
| Anemie |
Diagnostiek en behandeling van anemie door aangeboren |
Commentaarfase richtlijn (1 mei 2012 - 27 juni 2012) Namens de NVvH heeft zitting in de richtlijnwerkgroep: dr. R.A.P. Raymakers |
NVKC-VAL |
(verwacht in 2012) |
|
Revisie Swab richtlijnen. Namens de NVvH heeft zitting in de richtlijnwerkgroepen: dr. N. Blijlevens |
SWAB |
| Richtlijn |
Volledige naam |
Vindplaats |
Initiatief (evt. NVvH autorisatie) |
Jaar |
| ET |
Essentiële Trombocythemie (ET) |
NVvH - ET richtlijn
Artikel in Nederlands Tijdschrift voor Hematologie (www.ariez.nl) |
NVvH werkgroep niet-oncologische hematologie/MPN (goedkeuring ledenvergadering NVvH na commentaarronde) |
2011 |
| PMF |
Primaire myelofibrose (PMF) |
NVvH - PMF richtlijn
Artikel in Nederlands Tijdschrift voor Hematologie (www.ariez.nl) |
NVvH werkgroep niet-oncologische hematologie/MPN (goedkeuring ledenvergadering NVvH na commentaarronde) |
2011 |
| PV |
Polycythemia Vera (PV) |
NVvH - PV richtlijn
Artikel in Nederlands Tijdschrift voor Hematologie (www.ariez.nl) |
NVvH werkgroep niet-oncologische hematologie/MPN (goedkeuring ledenvergadering NVvH na commentaarronde) |
2011 |
| Gammopathie |
Richtlijn Monoklonale Gammopathie (paraproteinemie) |
CBO |
2001 |
|
| Gammopathie |
Laboratoriumonderzoek bij monoklonale gammopathie |
www.nvkc.nl |
NVKC / CMI / HOVON |
2011 |
| CLL |
Richtlijnen Diagnostiek en Behandeling Chronische Lymfatische Leukemie |
Artikel in Nederlands Tijdschrift voor Hematologie (www.ariez.nl) (zie ook www.hovon.nl) |
HOVON werkgroep CLL |
2011 |
| CML |
Aanbevelingen voor de behandeling van chronisch myeloide leukemie |
Gerectificeerd artikel in Nederlands Tijdschrift voor Hematologie (www.ariez.nl) (zie ook www.hovon.nl) |
HOVON Leukemiewerkgroep |
2010 |
| MM |
Richtlijnen behandeling multipel myeloom |
Artikel in Nederlands Tijdschrift voor Hematologie (www.ariez.nl)(2010) |
HOVON werkgroep Myeloom |
2010 |
| NHL |
Maligne lymfomen (pathologie) |
HOVON werkgroep lymfomen |
2011 |
|
| NHL |
Maligne lymfomen (stadiëring en respons criteria) |
HOVON werkgroep lymfomen |
2011 |
|
| NHL |
Maligne lymfomen (Diffuus grootcellig B-cel lymfoom) |
HOVON werkgroep lymfomen |
2011 |
|
| NHL |
Maligne lymfomen (Folliculair lymfoom) |
HOVON werkgroep lymfomen |
2011 |
|
| NHL |
Maligne lymfomen (mantelcellymfoom) |
HOVON werkgroep lymfomen |
2011 |
|
| SCT |
Indicatiestelling voor alloSCT bij hematologische aandoeningen |
HOVON werkgroep SCT |
? | |
| CLL |
Chronisch Lymfatische leukemie |
IKL - Regionaal consensus-based |
2001 |
|
| MDS | Myelodysplastisch syndroom |
IKW - Regionaal consensus-based |
2002 |
|
|
Tumorspecifieke voedingsaandachtspunten en voedings- en dieetadviezen |
Acute leukemie |
Landelijke Werkgroep Diëtisten Oncologie (LWDO) |
2006 |
Voor deze conceptrichtlijn loopt de commentaarfase van 1 mei 2012 tot 27 juni 2012.
Leden van de NVvH worden per mail uitgenodigd commentaar te leveren op deze conceptrichtlijn. Opmerkingen kunnen tot 27 juni 2012 worden gestuurd aan de beleidsmedewerker van de NVvH (a.w.rippen@amc.uva.nl ). Reacties worden uiteindelijk gebundeld en aan NVKC-VAL verstuurd.
Namens de NVvH heeft zitting in de richtlijnwerkgroep: dr. R.A.P. Raymakers
|
Een overzicht van hematologische richtlijnen is elders op deze website gepubliceerd. Lees meer over het NVvH-richtlijnbeleid. |
| Bijlage | Formaat |
|---|---|
| Conceptrichtlijn_anemie_NVKC_2012_commentaarfase.pdf | 5.53 MB |
|
Lees hier meer over de werkgroep niet-oncologische hematologie. |
Datum: januari 2011
Namens de werkgroep niet-oncologische hematologie NVvH (gezien de expertise van de werkgroepleden zijn ook de maligne myeloproliferatieve neoplasieën bij deze werkgroep ondergebracht).
Subwerkgroep MPN: dr. P.A.W. te Boekhorst, internist-hematoloog/transfusiespecialist, dr. M-D Levin, internist-hematoloog, dr. R. Raymakers, internist-hematoloog, dr. R. van Wijk, dr. R.E.G. Schutgens, internist-hematoloog, dr. G.K.S. Jie, internist-hematoloog, drs. S. Wittebol, internist-hematoloog, dr. E.C. Dompeling, internist-hematoloog/medisch oncoloog, dr. L.F.R. Span, internist-hematoloog, dr. M.R. de Groot, internist-hematoloog, dr. G.A. Velders, internist-hematoloog/medisch oncoloog, dr. S. Zweegman, internist-hematoloog.
Belangen gemeld: dr. P.A.W. te Boekhorst, sprekersgeld Novartis
Trombo-embolische complicaties, bloedingsneiging, aanwijzingen maligniteit, auto-immuunziektes, ontstekingen, medicatie, cardio-vasculair risicoprofiel
Vastleggen van lever- en miltgrootte, echografisch onderzoek bij twijfel over splenomegalie
Cardiovasculair onderzoek
Huid: ulcera, perifere vaatocclusie
Bloedbeeld (inclusief leucocyten differentiatie), reticulocyten, kreatinine, leverenzymen, LDH, urinezuur, ferritine, CRP
Glucose en cholesterol/trigyceriden
Bloed- en beenmerg morfologie
Beenmergbiopt
Geen specifieke afwijkingen: evt. del (20q), +8, +9
JAK2 V617F mutatie, BCR-ABL1
Bij verhoogde bloedingsneiging en/of indien trombocyten > 1000-1500 x 109/l: sluit verworven von Willebrand type II uit middels bepaling van von Willebrand activiteit en antigeen en zo nodig multimeren onderzoek
Eventueel aanvullende moleculair-biologische diagnostiek naar MPLW515L/L mutatie
laag risico
leeftijd < 60 jaar én
geen trombotische complicaties in voorgeschiedenis én
trombocyten < 1500 x 109/l én
geen cardiovasculaire risicofactoren
intermediair risico
geen laag of hoog risico
hoog risico
leeftijd > 60 jaar óf
trombotische verschijnselen in voorgeschiedenis óf
trombocyten >1500 x 109/l
Acetylsalicylzuur 80 mg/Carbasalaatcalcium 100 mg per dag. Indien trombocyten >1500 x109/l, klinisch verhoogde bloedingsneiging of verworven von Willebrand type II aangetoond (zie bij diagnostiek) geen trombocyten aggregatieremmers geven. In uitzonderingsgevallen kan een hogere dosering ascal (2 dd 80 mg) overwogen worden
laag risico
Naast Acetylsalicylzuur 80 mg/Carbasalaatcalcium 100 mg per dag geen cytoreductieve therapie
intermediair risico
Naast Acetylsalicylzuur 80 mg/Carbasalaatcalcium 100 mg per dag is cytoreductie optioneel: overwegen bij trombocyten > 1000 x 109/l en additionele cardiovasculaire risicofactoren.
hoog risico
Naast Acetylsalicylzuur 80 mg/Carbasalaatcalcium 100 mg per dag ook indicatie voor cytoreductieve therapie
Starten in een dosering van 2 dd 500 - 1000 mg. Dosis aanpassen op geleide trombocytenaantal. Streven naar normalisatie trombocyten aantal.
Gepegyleerd interferon
Aanvangsdosering gepegyleerd interferon-α 2a (Pegasys®): 90 microgram/week s.c., gepegyleerd interferon-α 2b (PEG-Intron®): 50 microgram/week s.c.
Dosis aanpassen op geleide van het trombocytenaantal. Streven naar normalisatie trombocyten aantal
Indien alleen het trombocytenaantal verhoogd is, kan anagrelide overwogen worden (of in combinatie met bovengenoemde cytoreductieve middelen) Aanvangsdosering: 2 dd 0.5 mg, iedere week te verhogen met een 0,5 mg/dag extra op geleide van het trombocytenaantal. Maximale dosis 10 mg/dag, maximale dosis per gift 2 mg. Streven naar normalisatie
Bij ouderen met een levensverwachting <10 jaar eventueel: 32P 3 mCi i.v., zonodig na 3 maanden herhalen (cave leukomegeniciteit!)
Overwegen indien therapie-refractair/onacceptable bijwerkingen van andere cytoreductieve therapie én behandelindicatie én beperkte levensverwachting (cave leukemogeniciteit!). Startdosering: 2 mg per dag (cave langdurige cytopenie).
Overwegen bij jonge patiënt (<65 jaar) met post ET-myelofibose m.b.v. reduced-intensity conditionering (RIC)
Streef naar Ht < 0.45 bij mannen en < 0.42 bij vrouwen, naar een trombocytenaantal < 400 x 109/l en overweeg gezien de relatie tussen trombose en het leucocytenaantal naar leucocyten < 15 x 109/l
Antistolling: afhankelijk van ernst indicatie voor levenslange antistolling en overweeg plaatjes aggregatie remming (cave: contra-indicatie)
Datum: januari 2011
|
Lees hier meer over de werkgroep niet-oncologische hematologie. |
Datum: januari 2011
Namens de werkgroep niet-oncologische hematologie NVvH (gezien de expertise van de werkgroepleden zijn ook de maligne myeloproliferatieve neoplasieën bij deze werkgroep ondergebracht).
Subwerkgroep MPN: dr. P.A.W. te Boekhorst, internist-hematoloog/transfusiespecialist, dr. M-D Levin, internist-hematoloog, dr. R. Raymakers, internist-hematoloog, dr. R. van Wijk, dr. R.E.G. Schutgens, internist-hematoloog, dr. G.K.S. Jie, internist-hematoloog, drs. S. Wittebol, internist-hematoloog, dr. E.C. Dompeling, internist-hematoloog/medisch oncoloog, dr. L.F.R. Span, internist-hematoloog, dr. M.R. de Groot, internist-hematoloog, dr. G.A. Velders, internist-hematoloog/medisch oncoloog, dr. S. Zweegman, internist-hematoloog.
Belangen gemeld: dr. P.A.W. te Boekhorst, sprekersgeld Novartis
Trombo-embolische complicaties, klachten van hyperviscositeit, jeuk, bloedingen, erythromelalgie, rookgedrag
Pulmonale status
Cardiovasculair onderzoek
Vastleggen lever- en miltgrootte, echografisch onderzoek bij twijfel over splenomegalie
Aanwijzingen voor perifere vaatocclusie
Huid: krabeffecten, ulcera
Bloedbeeld (inclusief leucocyten differentiatie), reticulocyten, kreatinine, leverenzymen, LDH, urinezuur, ferritine
Glucose en cholesterol/triglyceriden
Bloed– en beenmerg morfologie
Beenmergbiopt
NB: Voor diagnostiek niet strikt noodzakelijk indien er een verlaagde EPO spiegel is of spontane erythroïde koloniegroei (zie diagnostische criteria). Echter, BM onderzoek heeft de voorkeur als aanvullend minor criterium daar het aanvullende informatie geeft over mate van fibrose en prognose
Geen specifieke afwijkingen: evt. del (20q), +8, +9
JAK2 V617F mutatie, BCR-ABL1 genfusie
Bij verhoogde bloedingsneiging en/of indien trombocyten >1000-1500 x 109/l: sluit verworven von Willebrand type II uit middels bepaling van von Willebrand activiteit en antigeen en zo nodig multimeren onderzoek
Cardiovasculair risico profiel (glucose, cholesterol/triglyceride)
Aanvullende moleculair-biologische diagnostiek naar JAK-2exon12 mutatie indien JAK2 V617F mutatie niet aantoonbaar is
Erythropoetine spiegel indien BM niet is verricht of niet conclusief is
Beenmerg kolonie kweken: spontane erythroide kolonie groei (BFU-e)
Indien de diagnose Polycythemia Vera niet gesteld kan worden: onderzoek naar congenitale of verworven secundaire polycythemie ( zie onder)
Major criteria:
Minor criteria:
Diagnose PV: 2 major en 1 minor criteria, of 1 major en 2 minor criteria
Indien diagnose polycytemia vera niet gesteld kan worden is er mogelijk sprake van een congenitale of verworven secundaire erythrocytose:
Indien verworven oorzaken uitgesloten zijn:
Genetische analyse*: EPOR, HBA1, HAB2, HBB, BPGM, VHL, PHD2, HIF2α
*In overleg met R. van Wijk, UMC Utrecht
Trombocyten aggregatieremmer (4,5)
Acetylsalicylzuur 80 mg/Carbasalaatcalcium 100 mg per dag. Indien trombocyten >1500 x109/l, klinisch verhoogde bloedingsneiging of verworven von Willebrand type II aangetoond (zie bij diagnostiek) geen trombocyten aggregatieremmers geven
Uraatsteenprofylaxe
Indien verhoogd urinezuur: overweeg Allopurinol 1 dd 300 mg
Streven naar Ht < 0.45 l/l bij mannen en < 0.42 l/l bij vrouwen. Flebotomie heeft ijzerdepletie tot gevolg wat leidt tot remming van de erythropoiese. Derhalve dient geen ijzer gesuppleerd te worden
Geïndiceerd in geval van hoog risico PV (trombose in het verleden of ouder dan 60 jaar), in geval van progressieve myeloproliferatie (trombocytose, leucocytose, splenomegalie) of in geval van frequente aderlatingen
Hydroxycarbamide starten in een dosering van 1 dd 500 - 1000 mg. Dosis aanpassen op basis van hemogram en miltgrootte (8)
Aanvangsdosering gepegyleerd interferon-α 2a (Pegasys®): 90 microgram/week s.c., gepegyleerd interferon-α 2b (PEG-Intron®): 50 microgram/week s.c. Dosis aanpassen op geleide van het hemogram. Interferon wordt als voorkeurstherapie bij jeuk beschouwd (9)
Anagrelide kan overwogen worden bij trombocytose (bijvoorbeeld in combinatie met flebotomie). Startdosering 2 dd 0,5 mg, iedere week te verhogen met een 0,5 mg/dag extra op geleide van het trombocytenaantal. Maximaal 2 dd 5 mg (10)
Bij ouderen met een levensverwachting <10 jaar eventueel: 32P 3 mCi i.v., zonodig na 3 maanden herhalen (cave leukomegeniciteit!) (6,11)
Overwegen indien therapie-refractair/onacceptable bijwerkingen van andere cytoreductieve therapie én behandelindicatie én beperkte levensverwachting (cave leukemogeniciteit!). Startdosering: 2 mg per dag (cave langdurige cytopenie) (12)
Overwegen bij jonge patiënt (<65 jaar) met post PV-myelofibose m.b.v. reduced-intensity conditionering (RIC)
Behandeling en tromboseprofylaxe afhankelijk van risico
definitie normaal risico
geen hoog risico
definitie hoog risico
trombose of bloeding in het verleden, ernstige complicaties tijdens voorgaande zwangerschap (≥ 3 spontane abortus binnen eerste trimester of ≥ spontane abortus in tweede of derde trimester, intrauteriene sterfte, preeclampsie < 37 weken), trombocytenaantal > 1000 x 109/l, abnormale flow in de uteriene arteriën op 20/24 weken
behandeling bij normaal risico
Streef naar Ht< 0.40 l/l en trombocyten < 1000 x 109/l (middels aderlatingen en/of niet-gepegyleerde interferon-α)
Acetylsalicylzuur 80 mg/Carbasalaatcalcium 100 mg per dag
Profylactische dosering LMWH in het kraambed
behandeling bij hoog risico risico
Streef naar Ht< 0.40 l/l en trombocyten < 400 x 109/l (middels aderlatingen en/of niet-gepegyleerde interferon-α)
Acetylsalicylzuur 80 mg/Carbasalaatcalcium 100 mg per dag
Profylactische dosering LMWH gedurende gehele zwangerschap en kraambed, indien reeds behandeld met orale antistollingstherapie voor de zwangerschap therapeutisch dosering LMWH.
Streef naar Ht < 0.45 l/l bij mannen en < 0.42 l/l bij vrouwen en een trombocytenaantal < 400 x 109/l en overweeg gezien de relatie tussen trombose en het leucocytenaantal naar leucocyten < 15 x 109/l
Antistolling: afhankelijk van ernst indicatie voor levenslange antistolling en overweeg trombocyten aggregatieremming (cave: contra-indicatie)
Datum: januari 2011
Namens de werkgroep niet-oncologische hematologie NVvH
|
Lees hier meer over de werkgroep niet-oncologische hematologie |
Datum: januari 2011
Namens de werkgroep niet-oncologische hematologie NVvH (gezien de expertise van de werkgroepleden zijn ook de maligne myeloproliferatieve neoplasieën bij deze werkgroep ondergebracht).
Subwerkgroep MPN: dr. P.A.W. te Boekhorst, internist-hematoloog/transfusiespecialist, dr. M-D Levin, internist-hematoloog, dr. R. Raymakers, internist-hematoloog, dr. R. van Wijk, dr. R.E.G. Schutgens, internist-hematoloog, dr. G.K.S. Jie, internist-hematoloog, drs. S. Wittebol, internist-hematoloog, dr. E.C. Dompeling, internist-hematoloog/medisch oncoloog, dr. L.F.R. Span, internist-hematoloog, dr. M.R. de Groot, internist-hematoloog, dr. G.A. Velders, internist-hematoloog/medisch oncoloog, dr. S. Zweegman, internist-hematoloog.
Belangen gemeld: dr. P.A.W. te Boekhorst, sprekersgeld Novartis
Constitutionele symptomen, bloedingsneiging, aanwijzingen maligniteit, auto-immuunziektes, ontstekingen, medicatie, cardio-vascuclair risicoprofiel
Vastleggen van lever- en miltgrootte, echografisch onderzoek bij twijfel over splenomegalie
Bloedbeeld en leucocyten differentiatie (leuco-erytroblastair bloedbeeld, traandruppelcellen), reticulocyten, kreatinine, leverenzymen, LDH, urinezuur
Bloed- en beenmerg onderzoek
Beenmergbiopt
Geen specifieke afwijkingen: evt. del (20q-), +8, +9, afwijkingen chromosoom 1
JAK2 V617F mutatie, BCR-ABL1 genfusie
Bij verhoogde bloedingsneiging en/of indien trombocyten >1000-1500 x 109/l: sluit verworven von Willebrand type II uit middels bepaling van von Willebrand activiteit en antigeen en zo nodig multimeren onderzoek
Glucose, cholesterol/triglyceride
Eventueel aanvullende moleculair-biologische diagnostiek naar MPLW515L/K mutatie
Major criteria
* aberrante kern/cytoplasma verhouding, hyperchromatisch, irregulaire nuclei en zeer dichte clustering.
Minor criteria
De diagnose wordt gesteld als alle 3 major criteria en 2 minor criteria aanwezig zijn.
| Risico indeling | Risicofactoren |
Mediane overleving (maanden) |
| laag | 0 | 135 |
| intermediair-1 | 1 | 95 |
| intermediair-2 | 2 | 48 |
| hoog | >3 | 27 |
Acetylsalicylzuur 80 mg/Carbasalaatcalcium 100 mg per dag, indien het trombocytenaantal >400 x 109/l is. Indien trombocyten >1500 x109/l, klinisch verhoogde bloedingsneiging of verworven von Willebrand type II aangetoond (zie bij diagnostiek) geen Ascal geven (3)
Geïndiceerd in geval progressieve myeloproliferatie (trombocytose, leucocytose, splenomegalie) of in geval van cytopenie door splenomegalie. Start cytoreductieve therapie bij trombocyten aantal >1000-1500 x 109/L. Overweeg cytoreductie bij een leucocyten aantal >15 x109/L
Overwegen bij anemie en/of trombopenie en/of mechanische bezwaren. Zo mogelijk verrichten voordat de trombocyten <50 x 109/l zijn
Gezien lage frequentie en ontbreken van eenduidige indicatie en hoge kans op complicaties is overleg met consulterend behandelcentrum aanbevolen
Overwegen bij anemie en/of trombopenie en/of mechanische bezwaren. Gezien de hoge kans op pancytopenie moet worden gekozen voor een lage fractiedosis
De mediane responsduur is ongeveer 6 maanden
Gezien lage frequentie en ontbreken van eenduidige indicatie en hoge kans op pancytopenie is overleg met consulterend behandelcentrum aanbevolen
Overwegen indien therapie-refractair/onacceptable bijwerkingen van andere cytoreductieve therapie en behandelindicatie en beperkte levensverwachting (cave leukemogeniciteit!). Startdosering: 2 mg per dag (cave langdurige cytopenie)
De enige behandelingsoptie met kans op curatie. Derhalve overwegen bij patiënten jonger dan 65 jaar met intermediair(-2) of hoog risico met reduced-intensity conditionering (RIC)
Bij een niet-transfusie afhankelijke anemie is de kans op respons 90%, bij een transfusie afhankelijke anemie 40%. Bij een laag serum erythropoëtine is de kans op succes ~65% bij een normaal serum erythropoëtine ~15%
Danazol 600-800 mg/per dag, geeft bij ~40% respons na 3-6 maanden, waarvan bij de helft een duurzame respons met 200 mg/dag onderhoudsbehandeling
Let op: bij voorkeur alleen bij mannen gezien de bij gebruik bij vrouwen kans op virilisatie
Kan overwogen worden (50 mg Thalidomide in combinatie met Prednison 0,5 mg/kg gedurende 4 weken, waarna de dosering in 3 maanden wordt afgebouwd. Alternatief: 1 dd 20 mg). In een kleine fase II studie (n=20) werd een overall respons (verbetering anemie) gezien van 62%, en werd 40% transfusie onafhankelijk. (12) Bovendien bij 10% vermindering splenomegalie gedurende langere tijd. In een placebo gecontroleerde studie geen effect werd waargenomen van 200 mg Thalidomide monotherapie. (13) Lenalidomide kan als monotherapie of in combinatie met corticosteroiden gegeven worden (bv. lenalidomide 1 dd 10-15 mg). (14)
Streef naar Ht < 0.45 l/l bij mannen en < 0.42 l/l bij vrouwen en een trombocytenaantal < 450 x 109/l en overweeg gezien de relatie tussen trombose en het leucocytenaantal naar leucocyten < 15 x 109/l
Antistolling: afhankelijk van ernst indicatie voor levenslange antistolling en overweeg trombocyten aggregatie remming (cave: contra-indicatie)
Datum: januari 2011
Namens de werkgroep niet-oncologische hematologie NVvH
|
Lees hier meer over de werkgroep niet-oncologische hematologie |
Datum: 10 januari 2010 (herziening verwacht in 2012)
Namens de werkgroep niet-oncologische hematologie NVvH
Primaire Immuun gemedieerde trombocytopenische purpura (ITP) kenmerkt zich door een verworven geïsoleerde trombocytopenie (trombocyten < 100 x 109/l) zonder een duidelijke onderliggende ziekte of oorzaak voor de trombocytopenie 1. Oorspronkelijk werd verondersteld dat de trombocytopenie bij ITP primair veroorzaakt werd door een verhoogde afbraak van trombocyten gemedieerd door auto-antistoffen. Inmiddels weten we dat aanmaakstoornissen van trombocyten en T-cel gemedieerde processen ook een rol spelen in het ontstaan van ITP2 - 6. De incidentie van ITP is ongeveer 50/1.000.000. De ziekte is evenredig verdeeld over mannen en vrouwen, behalve in de leeftijds categorie 30 – 60 jaar waar ITP vaker voorkomt bij vrouwen 7,8. ITP wordt naar de duur van de ziekte ingedeeld in acute ITP, persisterende ITP (3 – 12 maanden) en chronische ITP (> 12 maanden). Klinische kenmerken kunnen erg variëren. Patiënten kunnen helemaal geen verschijnselen hebben, petechien, purpura of geringe slijmvlies bloedingen vertonen en nabloeden uit wondjes, maar kunnen ook levensbedreigende gasto-intestinale- of hersenbloedingen krijgen. Meestal zijn deze klinische verschijnselen pas aanwezig bij een trombocyten getal onder de < 30 x 109/l, alhoewel de ernst van de trombocytopenie niet altijd correleert met het bloedingsrisico. Andere oorzaken voor trombocytopenie moeten eerst worden uitgesloten om tot de diagnose ITP te komen.
Diagnostiek is gericht op uitsluiten van andere oorzaken van trombocytopenie.
* In Nederland is geen consensus over het nut van de Helicobacter test.
Indien relevante andere oorzaken van geïsoleerde trombocytopenie zijn uitgesloten, is geen verdere diagnostiek nodig. Beenmergonderzoek is geïndiceerd bij patiënt ouder dan 60 jaar of voor splenectomie of in het kader van studies . Het verdiend aanbeveling ook een beenmerg biopsie te verrichten (zeker bij patiënten die eventueel met TPO agonisten behandeld gaan worden) aangevuld met flow-cytometrie en cytogenetica 12-17. MDS moet met name bij de oudere patiënt uitgesloten worden.
Hypertensie behandelen, obstipatie vermijden, menstruatie voorkomen (lynestrenol 1 x dd 5 mg). Geen medicatie die de trombocyten functie nadelig beïnvloeden, zoals aspirine en NSAID’s
De overwegingen om te behandelen zijn afhankelijk van een aantal factoren: mate en uitgebreidheid van de bloedingen, co-morbiditeit, mogelijke complicaties van de behandeling, levensstijl van de patiënt en voorkeuren van de patiënt. Het risico op een fatale bloeding wordt geschat bij volwassenen op 0,0162 – 0,0389 casus per patiënt jaar 18. Patiënten boven de 60 jaar en met eerdere bloedingen hebben een hoger risico 19. Bloedingen en infecties veroorzaken evenveel mortaliteit20. Over het algemeen wordt behandeld :
Prednison is de standaard eerste lijns behandeling bij ITP21,22. Meestal wordt1 mg/kg/dag gedurende maximaal 3 weken gegeven. Slechts een klein aantal bereikt nog CR tussen 3 en 6 weken, daarna langzaam uitsluipen met 10 mg/week tot 30 mg/dag, daarna met 5 mg/week tot 15 mg en vervolgens met 2,5 mg/week. Uiteindelijk bereikt slechts 30-40% na corticosteroïden een persisterende CR. Zeer goede resultaten zijn beschreven van Dexamethason, 40 mg gedurende 4 dagen (50% langdurige response) en van 4 cycli dexamethason 40mg/4dagen iedere 14 dagen gegeven (86% response) 23. Er ontbreken randomised clinical trials met dexamethason versus prednison en het aantal cycli dexamethason is onduidelijk. Prednison blijft daarom de voorkeurs behandeling.
Indien patiënt zich presenteert met een acute ITP bij een recente of actieve EBV, CMV, rubella, varicella, HIV) IVIG 1 gram/kg iv in 2 dagen (1 gram/kg per dag) als 1ste lijn gegeven worden, hierna kan CR optreden. Indien patiënt ernstige bloedingen heeft graad III/IV (meestal bij presentatie met diepe trombocytopenie): 40 mg Dexamethason gedurende 4 dagen, of 1000 mg methylprednisolon iv, dag 1-3, in een half uur en IVIG (1 g/kg x 2 dagen) . Bij vitale (graad IV cerebrale/fundus) bloeding tevens trombocytentransfusies geven. In noodgevallen kan novoseven overwogen worden (graad IV bloeding niet reagerend op cyclokapron, IVIG en plaatjes transfusie). IVIG is geen optie voor curatie of chronische behandeling. Het effect duurt 2 – 4 weken. Is geïndiceerd als acute interventie bij ernstige bloedingen, voor ingrepen en eventueel in de zwangerschap. Indien na 2-3 weken prednison bij acute ITP er sprake is van geen response (NR) dan is IVIG een optie en moet splenectomie worden overwogen (zie ook chronische ITP).
Indien: > 12 weken na diagnose: indien geen respons (NR) of minimale response (MR) op corticosteroïden, recidief tijdens uitsluipen of recidief (evt. 2e maal) na staken corticosteroïden. Persistent ITP wordt gedefinieerd als geen respons (NR) of minimale response (MR) in de eerste 12 weken na start 1e lijns behandeling. Persistent ITP wordt behandeld als de chronische ITP. Bij trombocyten tussen de 20 x 109/l en 30 x 109/l zonder bloedings neiging kan afgewacht worden. Er wordt in deze fase altijd beenmerg onderzoek gedaan: secundaire ITP, reticuline fibrose, MDS?
Tachtig procent reageert gunstig op een splenectomie en 66% van de patiënten blijft meer dan 5 jaar in remissie24,25,26. Ongeveer 14% van de patiënten reageert niet en 20% van de patiënten krijgt een relapse weken, maanden of jaren later (Evidence level IIb) De complicaties van splenectomie bestaan uit bloedingen, infecties, trombose, verlengde ziekenhuis opname of nieuwe ingrepen. Complicaties komen in 12,9 % van de patiënten die een laparotomische en bij 9,6 % van de patienten die een laparoscopische splenectomie ondergingen. Mortaliteit was 1,0% bij een laparotomische en 0,2% bij een laparoscopische splenectomie 26. Patiënten dienen na splenectomie de gebruikelijke trombose profylaxe te krijgen. Vier weken voor splenectomie tot maximaal 2 weken na splenectomie dient gevaccineerd te worden met polyvalent pneumococcen, meningococcen C en Haemophilus influenzae B vaccin. De pneumococcen vaccinatie moet iedere 5 jaar herhaald worden.Bij patiënten die behandeld zijn geweest met Rituximab kunnen de vaccinaties niet effectief zijn en dienen herhaald te worden na herstel van de B-cel functie. Patiënten dienen een recept voor antibiotica (penicilline of erythromycine) in huis te hebben, zodat zij bij koorts direct met antibiotica kunnen starten. Levenslange profylaxe met antibiotica is , gezien het lage risico op late infecties, niet nodig.
Ongeveer 60% van de patiënten reageert positief op Rituximab en ongeveer 40% bereikt vervolgens een CR27. De respons treedt meestal na 1-8 weken op28,29 en duurt ongeveer 2 maanden bij partial reponders en ≥ 5 jaar bij 15 – 20% van de patiënten die initieel behandeld werden27. De meeste patiënten met een langdurige respons (> 1 jaar) reageren later bij een relapse ook weer gunstig op een behandeling met Rituximab. In een open label, prospectieve observationele fase II trial met Rituximab werd na twee jaar bij 33% van de patiënten een trombocyten getal ≥ 50 x 109/l gevonden en bij 40% ≥ 30 x 109/l, zonder dat er aanvullende behandelingen nodig was30. Meestal wordt een dosering van 375 mg/m2 gebruikt, maar lagere doseringen kunnen ook effectief zijn31. Hoge respons percentages zijn recent gerapporteerd voor de combinatie van Dexamethason en Rituximab als eerste lijns behandeling van ITP32. De effectiviteit en toxiciteit van verschillende doseringen Rituximab is echter nog onbekend. Derhalve wordt aanbevolen te participeren in HOVON-64 studie: Vraagstelling: Wat is de optimale rituximab dosis: 2 x 375 mg/m2 of 4 x 375 mg/m2 of 2 x 750 mg/m2 bij patiënten met een chronische ITP (recidief na 1e lijns behandeling). Buiten studie verband hebben de trombopoeitine-receptor agonisten de voorkeur.
Trombopoeitine-receptor agonisten stimuleren de aanmaak van trombocyten en veroorzaken geen immunomodulatie. Trombopoietine (TPO) is de primaire groeifactor voor de aanmaak van trombocyten33. Een aantal werkzame TPO receptor agonisten zijn onwikkeld34-36. Romiplostim is door de FDA en door de EMEA goedgekeurd en kan in Nederland voorgeschreven worden (1 – 10 μg/kg per week s.c.) 36,37. Eltrombopag wordt oraal gegeven (50 of 75 mg/dag) en heeft vooralsnog alleen een FDA goedkeuring en is in Nederland nog niet op de markt38,39. De resultaten van phase I-III studies laten zien dat Romiplostim een overall response geeft van 79% bij patiënten die een splenectomie hebben ondergaan en bij 88% van de patiënten zonder een splenectomie37. Vergelijkbare resultaten worden bij de behandeling met Eltrombopag gevonden39. Bij 87% van de patiënten die met Romiplostim werden behandeld kon de gelijktijdig gegeven ITP behandeling verminderd of gestopt worden. Follow-up studies lieten een aanhoudende respons zien van meer dan 4 jaar. Bijwerkingen zijn over het algemeen mild, maar ongerustheid is ontstaan door de constatering van een toename van de reticuline vezels in het beenmerg bij 10 van de 271 patiënten, die met Romiplostim en 7 van de 117 patiënten die met Eltrombopag zijn behandeld. Lange termijn studies moeten het klinisch belang van deze observaties aantonen36,40. TPO-receptor agonisten moeten als onderhoudsbehandeling gegeven worden. Een recidief trombocytopenie treedt onherroepelijk op na het staken van de behandeling.
Bij recidief na splenectomie:
Bij recidief na splenectomie: uitsluiten bijmilt (bij refractaire patiënten na splenectomie is er zelden een response of verwijdering bijmilt 41.
Volgende therapieën hebben over het algemeen lage response kans:
Tijdens zwangerschap is de differentiaal diagnose:
Therapie: bij trombo’s < 20 x 109/l of bij thrombo’s < 30 x 109/l met bloedings neiging: corticosteroiden en IVIG, na ‘opladen’, wekelijks 1 g/kg. Zonder bloedings neiging alleen corticosteroiden. Overige therapieën zijn potentieel teratogeen. Bij nonresponders met trombo’s < 20 x 109/l en bloedingen, splenectomie (in 2de trimester). Voor de partus streven naar > 50 x 109/l. Klinisch bevallen en de neonaat controleren: kans op trombopenie < 50 x 109/l ca 12%, ongeacht (zelfs normaal) maternaal getal. In principe geen epidurale analgesie (zie ook CBO consensus) . Kunstverlossing zoveel mogelijk vermijden (zie ook NVOG standaard) Bij splenectomie en laag maternaal trombocytengetal stijgt de kans op neonatale trombopenie. Er is ca 1% kans op ernstige perinatale bloeding. Neonatale trombocytopenie kan zich tot 1 week post-partum ontwikkelen, met een nadir op dag 4.
REGISTRATIE:
Via de NVVH website zal een ITP case registry worden voorbereid. Het is van groot belang om niet alleen nieuwe cases hierop te registreren maar ook om alle 2e en 3e lijns failure en nieuwe behandelingen hierop te melden. Ook zal deze site van groot belang zijn om de post marketing ervaringen van nieuwe therapieen die binnenkort ook off study mogelijk worden te delen met de beroepsgemeenschap.
| Grade 0 | no bleeding |
| Grade 1 | petechial bleeding |
| Grade 2 | mild blood loss (clinically significant) |
| Grade 3 | gross blood loss, requires transfusion (severe) |
| Grade 4 | Debo;otatomg blood loss, retinal or cerebral associated with fatality |
1. Rodeghiero F, Stasi R, Gernsheimer T, et al. Standardization of terminology, definitions and outcome criteria in immune thrombocytopenic purpura of adults and children: report from an international working group. Blood. 2009;113(11):2386-2393.
2. Olsson B, Andersson PO, Jernas M., et al. T-cell-mediated cytotoxicity toward platelets in chronic idiopathic thrombocytopenic purpura. Nat Med. 2003;9(9):1123-1124.
3. Chang M, Nakagawa PA, Williams SA, et al. Immune thrombocytopenic purpura (ITP) plasma and purified ITP monoclonal autoantibodies inhibit megakaryocytopoiesis. Blood. 2003;102(3):887-895.
4. McMillan R, Wang L, Tomer A, Nichol J, Pistillo J. Suppression of in vitro megakaryocyte production by antiplatelet autoantibodies from adult patients with chronic ITP. Blood. 2004;103(4):1364-1369.
5. Houwerzijl EJ, Blom NR, van der Want JJ, et al. Ultrastructural study shows morphologic features of apoptosis and para-apoptosis in megakaryocytes from patients with idiopathic thrombocytopenic purpura. Blood. 2004;130(2):500-506.
6. Zhang F, Chu X, Wang L, et al. Cell-mediated lysis of autologus platelets in chronic idiopathic thrombocytopenic purpura. Eur J Haematol. 2006;76(5):427-431.
7. Neylon AJ, Saunders PW, Howard MR, Proctor SJ, Taylor PR. Clinically significant newly presenting autoimmune thrombocytopenic purpura in adults: a prospective study of a population-based cohort of 245 patients. Br J Haematol. 2003;122(6):966-974.
8. Segal JB, Powe NR. Prevalence of immune thrombocytopenia: analyses of administrative data. J Thromb Haemost. 2006;4(11):2377-2383.
9. Braester A. Pseudothrombocytopenia as a pitfall in the treatment of essential thrombocythemia. Eur J Haematol. 2003;70(4):251-252.
10. Liebman HA, Stasi R. Secondary immune thrombocytopenic purpura. Curr Opin Hematol. 2007;14(5):557-573.
11. Stasi R, Sarpatwari A, Segal JB. Effects of eradication of Helicobacter pylori infection in patients with immune thrombocytopenic purpura. A systematic review. Blood. 2009;113(6):1231-1240.
12. George JN, Woolf SH, Raskob GE, et al. Idiopathic thrombocytopenic purpura: a practice guideline developed by explicit methods for the American Society of Hematology. Blood. 1996;88(1):3-40.
13. Guidelines for the investigation and management of idiopathic thrombocytopenic purpura in adults, children and in pregnancy. Br J Haematol. 2003;120(4):574-596.
14. Mak YK, Yu PH, Chan CH, Chu YC. The management of isolated thrombocytopenia in Chinese adults: does bone marrow examination have a role at presentation? Clin Lab Haematol. 2000;22(6):355-358.
15. Jubelirer SJ, Harpold R. The role of the bone marrow examination in the diagnosis of immune thrombocytopenic purpura: case series and literature review. Clin Appl Thromb Hemost. 2002;8(1):73-76.
16. Mittal S, Blaylock MG, Culligan DJ, Barker RN, Vickers MA. A high rate of CLL phenotype lymphocytes in autoimmune haemolytic anemia and immune thrombocytopenic purpura. Haematologica. 2008;93(1):151-152.
17. Cohen YC, Djulbegovic B, Shamai-Lubovitz O, Mozes B. The bleeding risk and natural history of idiopathic thrombocytopenic purpura in patients with persistent low platelet counts. Arch Intern Med. 2000;160(11):1630-1638.
18. Cortelazzo S, Finazzi G, Buelli M, et al. High risk of severe bleeding in aged patients with chronic idiopathic thrombocytopenic purpura. Blood. 1991;77(1):31-33.
19. Portielje JE, Westendorp RG, Kluin-Nelemans HC, Brand A. Morbidity and mortality in adults with idiopathic thrombocytopenic purpura. Blood. 2001;97(9):2549-2554.
20. McMillan R. Chronic idiopathic thrombocytopenic purpura. N Engl J Med. 1981;304(19):1135-1147.
21. Bussel JB. Autoimmune thrombocytopenic purpura. Hematol Oncol Clin North Am. 1990;4(1):179-191.
22. Mazzucconi MG, Fazi P, Bernasconi S, et al. Therapy with high-dose dexamethasone (HD-DXM) in previously untreated patients affected by idiopathic thrombocytopenic purpura: a GIMEMA experience. Blood. 2007;109(4):1401-1407.
23. Schwartz J, Leber MD, Gillis S, et al. Long term follow-up after splenectomy performed for immune thrombocytopenic purpura (ITP). Am J Hematol. 2003;72(2):94-98.
24. Kojouri K, Vesely SK, Terrell DR, George JN. Splenectomy for adult patients with idiopathic thrombocytopenic purpura: a systematic review to assess longterm platelet count responses, prediction of response, and surgical complications. Blood. 2004;104(9):2623-2634.
25. Vianelli N, Galli M, de VA et al. Efficacy and safety of splenectomy in immune thrombocytopenic purpura: long-term results of 402 cases. Haematologica. 2005;90(1):72-77.
26. Arnold DM, Dentali F, Crowther MA, et al. Systematic review: efficacy and safety of rituximab for adults with idiopathic thrombocytopenic purpura. Ann Intern Med. 2007;146(1):25-33.
27. Stasi R, Stipa E, Forte V, Meo P, Amadori S. Variable patterns of response to rituximab treatment in adults with chronic idiopathic thrombocytopenic purpura. Blood. 2002;99(10):3872-3873.
28. Cooper N, Stasi R, Cunningham-Rundles S, et al. The efficacy and safety of B-cell depletion with anti-CD20 monoclonal antibody in adults with chronic immune thrombocytopenic purpura. Br J Haematol. 2004;125(2):232-239.
29. Godeau B, Porcher R, Fain O, et al. Rituximab efficacy and safety in adult splenectomy candidates with chronic immune thrombocytopenic purpura: results of prospective multicenter phase 2 study. Blood. 2008;112(4):999-1004.
30. Provan D, Butler T, Evangelista ML, et al. Activity and safety profile of lowdose rituximab for the treatment of autoimmune cytopenias in adults. Haematologica. 2007;92(12):1695-1698.
31. Zaja F, Battista ML, Pirrotta MT, et al. Lower dose rituximab is active in adults patients with idiopathic thrombocytopenic purpura. Haematologica. 2008;93(6):930-933.
32. Kaushansky K. Thrombopoietin: the primary regulator of megakaryocyte and platelet production. Thromb Haemost. 1995;74(1):521-525.
33. Bussel JB, Kuter DJ, George JN, et al. AMG 531, a thrombopoiesis-stimulating protein, for chronic ITP. N Engl J Med. 2006;355(16):1672-1681.
34. Kuter DJ. New thrombopoietic growth factors. Blood. 2007;109(11):4607-4616.
35. Kuter DJ, Bussel JB, Lyons RM, et al. Efficacy of romiplostim in patients with chronic immune thrombocytopenic purpura: a double-blind randomised controlled trial. Lancet. 2008;371(9610):395-403.
36. Bussel JB, Cheng G, Saleh MN, et al. Eltrombopag for the treatment of chronic idiopathic thrombocytopenic purpura. N Engl J Med. 2007;357(22):2237-2247.
37. Bussel JB, Provan D, Shamsi T, et al. Effect of eltrombopag on platelet counts and bleeding during treatment of chronic idiopathic thrombocytopenic purpura: a randomised, double-blind, placebo-controlled trial. Lancet. 2009;373(9664):641-648.
39. Quiquandon I, Fenaux P, Caulier MT, et al. Re-evaluation of the role of azathioprine in the treatment of adult chronic idiopathic thrombocytopenic purpura: a report on 53 cases. Br J Haematol. 1990;74(2): 223-228.
40. Emilia G, Morseli M, et al. Long-term salvage therapy with cyclosporin A in refractory idiopathic thrombocytopenic purpura. Blood. 2002;99(4):1482-1485.
41. Provan D, Stasi R, Newland AC, et al. International consensus report on the investigation and management of primary immune thrombocytopenia. Blood, prepublished on line Oct 21, 2009.
42. Verlin M, Laros RK, Jr. Penner JA. Treatment of refractory thrombocytopenic purpura with cyclophosphamine. Am J Hematol. 1976;1(1):97-104.
43. Reiner A, Gemsheimer T, Slichter SJ. Pulse cyclophosphamide therapy for refractory autoimmune thrombocytopenic purpura. Blood. 1995;85(2):351-358.
44. Maloisel F, Andres E, Zimmer J, et al. Danazol therapy in patients with chronic idiopathic thrombocytopenic purpura: long-term results. Am J Med. 2004;116(9):590-594.
45. Hernandez F, Linares M, Colomina P, et al. Dapsone for refractory chronic idiopathic thrombocytopenic purpura. Br J Haematol. 1995;90(2):473-475.
46. Provan D, Moss AJ, Newland AC, Bussel JB. Efficacy of mycophenolate mofetil as single-agent therapy for refractory immune thrombocytopenic purpura. Am J Hematol. 2006;81(1):19-25.
47. Kotb R, Pinganaud C, Trichet C, et al. Efficacy of mycophenolate mofetil in adult refractory auto-immune cytopenias: a single center preliminary study. Eur J Haematol. 2005;75(1):60-64.
48. Bussel JB et al. AMG531, a thrombopoiesis-stimulating protein for chronic ITP. N Engl J Med. 2006;355:1672-81.
|
Lees hier meer over de werkgroep niet-oncologische hematologie. |
Datum: 25 augustus 2009 (geëvalueerd op 27 januari 2011); addendum 8 februari 2011
Namens de werkgroep niet-oncologische hematologie NVvH
Trombotische trombocytopenische purpura (TTP) is een zeldzame, levensbedreigende aandoening waarbij aggregaten van trombocyten de microcirculatie verstoppen. Deze ziekte manifesteert zich met (vluchtige) neurologische accidenten, een bloedingneiging, hemolytische anemie, koorts en lichte nierfunctiestoornissen 1. Zonder behandeling loopt TTP in enkele weken tot maanden in 90% van de gevallen dodelijk af 2. De incidentie is ongeveer 3,7 / 1.000.000, bij voorkeur optredend tussen het 20e en 40e levensjaar, vaker bij vrouwen dan bij mannen, in een verhouding 8:1. TTP ontstaat in meer dan 96% van de patiënten door een aantoonbaar tekort van het enzym dat Von Willebrand Factor afbreekt tot kleinere eenheden, het metalloprotease ADAMTS13 3-5. Bij tijdige diagnose kan deze levensbedreigende aandoening bij 85% van de patiënten met succes worden behandeld 6 . Bij verdenking TTP is altijd SPOED geboden en de diagnostiek mag de behandeling niet vertragen.
De diagnose TTP kan gesteld worden indien een microangiopatische hemolytische anemie samengaat met een trombopenie zonder dat daarvoor een andere verklaring te geven is.
Bij het ontstaan van TTP speelt een deficiëntie van ADAMTS13 een grote rol als gevolg van een verworven antistof. De sensitiviteit van een totale ADAMTS-13 deficiëntie is ongeveer 96%, de specificiteit is 100% 3-5. Alleen bij patiënten met een doorgemaakte TTP in het verleden wordt regelmatig een sterk verlaagd ADAMTS-13 gehalte gevonden, ook in de absoluut rustige fase van het ziektebeeld. Dus: ADAMTS13 0%: past bij TTP, ADAMTS 13 >0%: kans op TTP is kleiner, maar niet uitgesloten.
Poliklinisch na 3 en 6 maanden: ADAMTS-13 herhalen: bij ADAMTS13 < 25% risico recidief groter (RR 6.0) 5
Geen neurologische/cardiale symptomen, niet ziek en thrombo's > 80 x 109/L:
prednison en dagelijks infusie van 2-3 E plasma; indien geen verbetering <72 uur: plasmaferese.
Indien ADAMTS-13 antistoffen positief kan rituximab worden overwogen.
Bij ≥ 2 recidieven: splenectomie bij patiënt in remissie 15.
Patiënte op de hoogte van de te verwachten complicaties bij moeder en kind. Uit de literatuur blijkt dat de maternale en foetale complicaties aanzienlijk zijn 19. Indien na goede voorlichting zwanger:
Beleid:
Bij stijging LDH, daling plaatjes: dagelijks controle.
Bij (beginnende) TTP (plaatjes < 100, Hb daling > 0.5 mmol/L, LDH stijging > 20%, fragmentocyten in de diff): start plasmaferese + corticosteroiden (1,5 mg/kg) volgens protocol TTP behandeling.
Complete response (after 7 days):
Platelet count >120 x 109/l and serum LDH <25% above upper normal level, for >2 consecutive days
Partial response (after 7 days):
>50% increase of platelet count to at least 60 x 109/l but <120 x 109/l and >50% decrease of LDH as compared to pre-treatment level, but above upper level as defined for complete responders, without clinical deterioration.
No response (after 7 days):
Platelet count 60 x 109/l,
or: platelet count < 120 x 109/l and platelet increase < 100% and serum LDH < 50% decrease,
or: clinical deterioration, i.e. regarding neurological and/or renal and /or cardiac status.
Progressive disease (after 7 days):
Clinical deterioration combined with decrease of platelet counts and increase of LDH.
Complete remission:
Platelet count >120 x 109/l and serum LDH <25% above upper normal level, for >4 weeks after stopping all treatment.
Relapse:
Recurring disease after ≥ 4 weeks of Complete Remission..
Formulier tevens te downloaden
Doel: Vergelijking van de verwijdering van UL-vWF tijdens plasmaferese met filtratie- en centrifugatiemethode.
|
Naam patiënt / Registratienummer
Geboortedatum M / V
|
Diagnose of recidief datum
|
Ziekenhuis / Contactpersoon
|
|
|
Datum 1e plasmaferese
|
Filtratie
|
Centrifugatie
|
|
|
Filtertype
|
Machinetype
|
||
| Sampledatum |
Sample VOOR nr 1
Identificatienr. tijdstip
|
Sample NA nr 2
Identificatienr tijdstip
|
Sample uit collectiezak nr 3
Identificatienr tijdstip
|
|||
Toelichting
1. Medisch dossier
2. Afnemen totaal 3 citraatbuizen (6 ml)
en bij patiënt meteen Na beëindiging plasmaferese (nr 2)
NB. Niet uit een gehepariniseerde aansluiting afnemen maar uit onverdund veneus bloed (eerst 2 ml opvangen en dan pas bemonsteren)
en uit collectiezak (nr 3)
NB. Collectiezak schudden voor bemonstering
3. lab-bewerking
4. Verzending
Carel Eckmann
Sanquin Diagnostiek afd. Bloedstolling
Plesmanlaan 125 Amsterdam
Voor toelichting: zie hierboven of bel J. Wollersheim, transfusiearts 06-22935717
Versie 08022011
|
Grade 0 |
no bleeding |
|
Grade 1 |
petechial bleeding |
|
Grade 2 |
mild blood loss (clinically significant) |
|
Grade 3 |
gross blood loss, requires tansfusion (severe) |
|
Grade 4 |
debilitating blood loss, retinal or cerebral associated with fatality |
| Bijlage | Formaat |
|---|---|
| Werkwijze sampling bij TTP versie 08022011.doc | 45 KB |