De niet-oncologische hematologische aandoeningen die op deze website worden besproken, kunnen in drie groepen worden ingedeeld.
een gebrekkige aanmaak van rode bloedcellen:
erfelijke aandoeningen waarbij een verhoogde afbraak (= hemolyse) van rode bloedcellen optreedt:
Enzymtekorten: Glucose-6-fosfaat dehydrogenase Deficiëntie (G6PD); Pyruvaat-kinase deficiëntie
verworven aandoeningen waarbij een verhoogde afbraak van rode bloedcellen optreedt:
Paroxysmale Nachtelijke Hemoglobinurie
erfelijke stoornissen in de bloedstolling:
Ziekte van Glanzmann (= trombasthenie)
overige stollingsfactor-deficiënties
verworven stoornissen in de bloedstolling:
ITP (auto-immuun ziekte waarbij het lichaam antistoffen aanmaakt tegen de eigen bloedplaatjes);
TTP (auto-immuun ziekte waarbij het lichaam antistoffen aanmaakt tegen een bepaald anti-stollings enzym).
erfelijke of verworven stoornissen waarbij stolsels in het bloed ontstaan:
Een tekort aan bloedplaatjes kan ook ontstaan door Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie, door een vergrote milt die de bloedplaatjes wegvangt uit het bloed, of wanneer het beenmerg onvoldoende bloedplaatjes aanmaakt.
Wanneer de bloedplaatjes niet goed functioneren, spreken we van een trombocytopathie. Een trombocytopathie kan ontstaan na het gebruik van bepaalde geneesmiddelen (bloedverdunners), bij lever- en nierziekten en als gevolg van myeloproliferatieve aandoeningen.
Ook door afwijkingen aan de bloedvaten of bij tekorten aan vitamine C of K, kunnen stoornissen in de bloedstolling optreden.
primaire hemochromatose (ijzerstapelingsziekte)
Bij een anemie ("bloedarmoede") bevat het bloed een te laag aantal rode bloedcellen of een te laag gehalte aan hemoglobine (Hb), een zuurstoftransporterend en ijzerhoudend eiwit ín de rode bloedcellen.
Er zijn verschillende oorzaken voor het ontstaan van een anemie:
Dit kan het gevolg zijn van acuut bloedverlies (een ernstig ongeval, operatie of bevalling) of chronisch bloedverlies (ontstekingen of tumoren in het maag-darmkanaal of urinewegen, hevige menstruaties,
TTP).
Dit kan worden veroorzaakt door:
aplastische anemie Een hemolytische anemie is een zeldzame vorm van bloedarmoede waarbij de rode bloedcellen worden vernietigd (= hemolyse) vóór hun normale levensduur is verstreken. Gezonde rode bloedcellen worden meestal na ongeveer 4 maanden uit het lichaam verwijderd. Bij een hemolytische anemie, breekt het lichaam de rode bloedcellen sneller af dan het beenmerg ze kan vervangen.
Een hemolytische anemie kan al dan niet erfelijk zijn, of op latere leeftijd ontstaan.
De erfelijke vormen van hemolyse kunnen het gevolg zijn van afwijkingen van het celmembraan (het buitenste omhulsel van de cel), de chemie binnen in de cel, of de productie van abnormale vormen of hoeveelheden hemoglobine. De abnormale cellen raken beschadigd en worden in de bloedbaan vernietigd. Ook kan het zijn dat het immuunsysteem van het lichaam de eigen rode bloedcellen als lichaamsvreemd herkent, waarna de cellen door de milt uit de bloedbaan worden weggevangen:
sikkelcelziekte
alpha- en bèta-thalassemie
sferocytose;
elliptocytose
enzymdeficiëntiesDe erfelijke hemolytische anemieën vereisen een levenslange behandeling.
Een niet-erfelijke (verworven) hemolytische anemie kan geleidelijk ontstaan, maar zich ook zeer snel ontwikkelen. Het verloop van hemolytische anemie, hangt af van de oorzaak en de ernst van de anemie. Een milde vorm van hemolytische anemie heeft vaak geen behandeling nodig. Ernstige hemolytische anemieën kunnen echter levensbedreigend zijn als ze niet worden behandeld. De verworven hemolytische anemieën kunnen ontstaan doordat de rode bloedcellen worden afgebroken onder invloed van:
Paroxismale Nachtelijke Hemoglobinurie
Auto-immuun hemolytische anemieDe behandeling van bloedarmoede is afhankelijk van de aard, de oorzaak en de ernst van de aandoening. Het doel van de behandeling is het vergroten van de hoeveelheid zuurstof die het bloed kan vervoeren door het aantal rode bloedcellen en / of het hemoglobine gehalte in het bloed op niveau te brengen. Omdat in sommige gevallen de anemie het gevolg is van een ziekte, zal ook altijd de oorzaak worden opgespoord en de onderliggende aandoening worden behandeld.
Een gebrek aan bepaalde vitaminen of ijzer, kan met behulp van supplementen of een aangepaste voeding worden aangepakt.
Soms worden geneesmiddelen voorgeschreven die het aantal rode bloedcellen in het lichaam kunnen verhogen of de onderliggende oorzaak van de bloedarmoede behandelen:
Bij een ernstige anemie of ernstig acuut bloedverlies is een bloedtransfusie een vaak gebruikte therapie
Andere behandelingsopties worden bij de specifieke anemieën besproken.
|
Op zaterdag 21 april 2012 organiseert de St. AA & PNH Contactgroep een bijeenkomst voor aplastische anemie patiënten en PNH patiënten met aplastische anemie, met o.a. de volgende onderwerpen:
Uiteraard is er voldoende tijd om met lotgenoten te praten. De locatie is nog niet bekend maar zal in het midden van het land zijn. Als "lid" van de contactgroep krijgt u vanzelf een uitnodiging. Bent u nog geen "lid" en zou u wel naar deze bijeenkomst willen komen, stuur dan een E-mail aan Andrea Stiene (info@bloedziekten.nl). Wij hopen er een informatieve dag van te maken. Het bestuur van de AA & PNH contactgroep Andrea Stiene |
AA is een zeldzame ziekte van het beenmerg. De levensduur van bloedcellen is kort, het lichaam heeft daarom behoefte aan een constante levering van nieuwe bloedcellen. Bij aplastische anemie maakt het beenmerg echter veel minder rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes aan dan het lichaam nodig heeft. De bloedcellen die worden aangemaakt zijn wel normaal.
Aplastische anemie kan op elke leeftijd voorkomen. In Nederland wordt de ziekte jaarlijks bij 45 mensen vastgesteld. In de meeste gevallen is onbekend wat de oorzaak van aplastische anemie is, de aandoening kan echter veroorzaakt worden door hoge doses straling of bepaalde chemische stoffen of virussen. Er zijn aanwijzingen dat aplastische anemie een auto-immuunziekte is, waarbij het immuunsysteem het eigen beenmerg aanvalt. Een aantal vormen van aplastische anemie is aangeboren.
Het is bekend dat een aantal erfelijke aandoeningen de stamcellen kunnen beschadigen en kunnen leiden tot aplastische anemie: Fanconi anemie, Diamond-Blackfan anemie en het Shwachman-Diamond syndroom.
Deze erfelijke anemieën horen echter meer thuis in de Kindergeneeskunde. Voor meer informatie verwijzen wij naar de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde en het European Fanconi Anemia Center Amsterdam.
Symptomen van aplastische anemie worden veroorzaakt door de te lage aantallen bloedcellen:
Bij Fanconi anemie is de kans op geboorteafwijkingen en ontwikkelingsproblemen groter en kunnen ook nog de volgende symptomen worden gezien bij pasgeborenen:
Bij aplastische anemie wordt een onderscheid gemaakt op grond van de volgende criteria:
Een patiënt met een matige aplastische anemie kan met weinig klachten door het leven gaan. Bij een patiënt met een (zeer) ernstige aplastische anemie, kunnen de infecties of de bloedingen levensbedreigend zijn en is onmiddellijk medisch handelen geboden.
Een patiënt met deze erfelijke vorm van aplastische anemie wordt - naast de verschijnselen die gepaard gaan aan aplastische anemie - ook geconfronteerd met een groter risico op het ontstaan van bepaalde vormen van kanker. Ongeveer 10 procent van de patiënten ontwikkelt leukemie. Volwassenen patiënten met Fanconi anemie lopen een grotere kans om een solide tumor te ontwikkelen (vooral in de mond, tong, keel of slokdarm) dan patiënten die niet aan Fanconi anemie lijden. Vrouwelijke patiënten hebben een groter risico tot het ontwikkelen van tumoren in de voortplantingsorganen.
FA is een onvoorspelbare ziekte. De gemiddelde levensduur voor mensen die hebben FA is tussen 20 en 30 jaar. De meest voorkomende oorzaken van sterfte in verband met FA, zijn beenmergfalen, leukemie en solide tumoren.
Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de aanbevelingen die hierna worden gegeven
De behandeling van aplastische anemie kan bestaan uit bloedtransfusies of medicijnen. Deze behandelingen zijn erop gericht complicaties te voorkomen of te beperken en de symptomen te verlichten. De aandoening kan alleen worden genezen met een stamceltransplantatie.
Patiënten met een milde of matige aplastische anemie hebben zolang hun toestand stabiel is, vaak geen behandeling nodig. Bij een (zeer) ernstige aplastische anemie is dringend behandeling nodig - in de vorm van bloedtransfusies - om het aantallen bloedcellen op een aanvaardbaar niveau te brengen
De behandelend arts kan bepaalde geneesmiddelen voorschrijven die het beenmerg stimuleren tot de aanmaak van bloedcellen (bijvoorbeeld erythropoiëtine of groeifactoren als CSF).
Patiënten die niet in aanmerking komen voor een stamceltransplantatie, krijgen vaak geneesmiddelen voorgeschreven m het afweersysteem te onderdrukken. Deze geneesmiddelen moeten ervoor zorgen dat het lichaam niet langer de eigen cellen aanvalt en vernietigt (bijvoorbeeld een combinatie van antithymocyte globuline (ATG), ciclosporine, en methylprednisolon). Het kan soms een paar maanden duren voor deze geneesmiddelen effect hebben, maar áls de aantallen bloedcellen stijgen, verminderen de symptomen. De geneesmiddelen moeten vaak langdurig gebruikt worden en kunnen de ziekte niet genezen.
Wanneer door een laag aantal witte bloedcellen het risico op infecties toeneemt, kunnen antibiotica en antivirale geneesmiddelen worden voorgeschreven om infecties te voorkomen en behandelen.
De enige manier om te genezen van aplastische anemie, is door het ondergaan van een
stamceltransplantatie (SCT). Niet iedereen komt in aanmerking voor een SCT. De voorbereidende behandelingen zijn voor oudere patiënten of patiënten met een slechte algehele conditie, vaak een te zware belasting.
www.bloedziekten.nl (Stichting zeldzame bloedziekten)
www.shwachman.nl (Shwachman Syndroom Support Holland)
Sikkelcelziekte is een ernstige erfelijke ziekte waarbij abnormaal hemoglobine wordt aangemaakt (= hemoglobinopathie). Door dit abnormale hemoglobine ontwikkelen zich rode bloedcellen die de vorm van een sikkel hebben (de vorm van een "C"). Deze sikkelcellen bewegen zich door hun vorm niet zo gemakkelijk door de bloedvaten, zijn minder flexibel en hebben de neiging samen te klonteren. Deze klontjes blokkeren de bloedstroom en kunnen pijn, ernstige infecties en orgaanschade veroorzaken.
Normaal gesproken circuleren de rode bloedcellen ongeveer 120 dagen in de bloedbaan. Zij vervoeren zuurstof en verwijderen kooldioxide (een afvalproduct) uit het lichaam. Bij sikkelcelziekte verdwijnen de sikkelcellen meestal al na ongeveer 10 tot 20 dagen. Het beenmerg kan niet snel genoeg voldoende nieuwe rode bloedcellen produceren om de afgebroken cellen te vervangen en er ontstaat bloedarmoede.
Sikkelcelziekte is een erfelijke ziekte. Mensen worden met de ziekte geboren en kunnen niet genezen. Sikkelcelziekte wordt autosomaal recessief overerfd. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven. Een recessieve aandoening komt alleen tot uitdrukking wanneer men van beide ouders het defecte gen heeft geërfd. Wordt slechts door één ouder een defect gen doorgegeven, dan zal het kind drager zijn van de aandoening en spreken we van "sikkelceltrait". Mensen met sikkelceltrait ondervinden daarvan geen klachten (zie kader 1).
Wereldwijd lijden miljoenen mensen aan sikkelcelziekte en sikkelcel trait. De ziekte komt vooral voor in families die hun wortels hebben liggen in Afrika, Zuid-of Midden-Amerika, Caribische eilanden, mediterrane landen (zoals Turkije, Griekenland en Italië), India en Saudi-Arabië. In Nederland zijn ongeveer 800 patiënten bekend. De ziekte komt evenveel voor bij mannen als bij vrouwen.
Sinds 1 januari 2007 worden in Nederland alle pasgeborenen gescreend op sikkelcelziekte.
Voor nadere informatie wordt verwezen naar de websites van de Landelijke Werkgroep Hemoglobinopathie Behandelaren en het Hemoglobinopathieën Laboratorium.
|
Sikkelcelziekte is een autosomaal recessieve aandoeningen. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven. Sikkelcelziekte is een recessieve aandoening die alleen tot uitdrukking komt wanneer men van beide ouders het defecte gen heeft geërfd. Wordt slechts door één ouder een defect gen doorgegeven, dan zal het kind drager zijn van de aandoening en spreken we van "sikkelceltrait". |
De klachten en symptomen van sikkelcelziekte variëren. Sommige mensen hebben slechts milde klachten, anderen vertonen zeer ernstige symptomen en moeten vaak in het ziekenhuis worden behandeld. Sikkelcelziekte is aanwezig bij de geboorte, toch vertonen kinderen pas symptomen als ze de leeftijd van 4 maanden bereiken. De meest voorkomende symptomen zijn gekoppeld aan de bloedarmoede en zijn over het algemeen niet ernstig:
Kenmerkend voor sikkelcelziekte zijn de pijnaanvallen die kunnen optreden. Door de afwijkende vorm van de sikkelcellen, hebben de rode bloedcellen de neiging samen te klonteren. Deze klontjes blokkeren de bloedstroom en kunnen door het zuurstof gebrek dat optreedt in de achterliggende weefsels, pijnaanvallen veroorzaken. Deze pijn wordt een "sikkelcel-crise"genoemd en treedt vooral op in de botten, maar ook in de longen en buik.
Andere complicaties die kúnnen optreden zijn:
Kinderen met sikkelcelziekte groeien vaak langzamer dan andere kinderen en bereiken ook pas op latere leeftijd de puberteit. Volwassenen met sikkelcelziekte zijn vaak slanker of kleiner dan volwassenen zonder sikkelcelziekte.
Sikkelcelziekte is een erfelijke ziekte en kan niet genezen worden. Wel kunnen de symptomen worden verlicht en complicaties worden voorkomen en behandeld.
Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de aanbevelingen die hierna worden gegeven
De behandelingen bij sikkelcelziekte zijn erop gericht de symptomen te helpen verlichten en complicaties te voorkomen of onder controle te houden.
De pijnklachten bij een sikkelcel crise worden behandeld met paracetamol/codeine, NSAID´s of morfine.
Vochtverlies bevordert het sikkelen van de rode bloedcellen. Dit dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.
Door eerdere aanvallen op de milt hebben sikkelcelpatiënten een hoger risico op infecties. Daarom moet bij verdenking op een bacteriële infectie meteen gestart worden met antibiotica. Patiënten moeten ook zijn gevaccineerd met Pneumovax tegen longontstekingen. Deze vaccinatie moet iedere 5 jaar worden herhaald. Kinderen moeten in elk geval tot hun 5e jaar chronisch met antibiotica worden behandeld (penicilline) om infecties te voorkomen. Voor alle sikkelcelpatiënten wordt ook een jaarlijkse griepvaccinatie sterk aanbevolen.
Hydroxyureum (Hydrea) remt de aanmaak van sikkelcellen door het beenmerg door het stimuleren van de aanmaak van zogenaamd foetaal hemoglobine. Dit zijn rode bloedcellen die bij kinderen worden gezien tot een half jaar na de geboorte en die niet kunnen sikkelen. Om deze reden krijgen kinderen met sikkelcelziekte het eerste half jaar van hun leven ook geen sikkelcelcrisen. Hydroxyureum stimuleert de aanmaak van deze rode bloedcellen en vermindert daarmee de kans op sikkelcelcrisen. Helaas reageert niet iedereen op dit middel en gaat het bij sommigen gepaard met misselijkheidsklachten. Hydroxyureum heeft bewezen de frequentie van sikkelcelcrisen te verlagen, evenals het optreden van acuut chest syndroom. Bij kinderen lijkt hydroxyureum ook het ontstaan van orgaanschade zoals uitval van de miltfunctie te kunnen vertragen.
Om het zuurstoftransport van het bloed te verbeteren, kunnen bloedtransfusies worden gegeven waarbij extra niet sikkelende rode bloedcellen in de bloedbaan worden gebracht. Nadeel van bloedtransfusies is dat er ijzerstapeling in het lichaam kan optreden en het bloed stroperig kan worden. Om dat te voorkomen, wordt vaak besloten tot een erythrocytaferese / wisseltransfusie. Hierbij worden de rode bloedcellen van de patiënt vervangen door rode bloedcellen van een donor. Een nadeel van beide vormen van transfusie is, dat er antistoffen gevormd kunnen worden tegen de toegediende rode bloedcellen. Hierdoor wordt het in de toekomst steeds moeilijker om geschikt bloed te vinden. Indicaties voor acute transfusies of wisseltransfusies zijn een hersenberoerte, ACS, zeer ernstige infectie of een acute operatie. Chronische transfusies worden gegeven ter voorkoming van hersenberoertes bij patiënten die al zo'n beroerte hebbendoorgemaakt of bij patiënten met meerdere episoden van een ACS die niet voorkomen kunnen worden met hydroxyureum hebben een indicatie voor chronische bloed of wisseltransfusie.
Door vele bloedtransfusies kan ijzerstapeling optreden. Het lichaam kan zich niet van dit teveel aan ijzer ontdoen. Het ijzer in de lever kan leiden tot leverschade, leverfalen, leverkanker of levercirrose (=vorming van littekenweefsel in de lever). IJzerstapeling in het hart kan ook leiden tot hartfalen. Ook de productie van hormonen, zoals het schildklierhormoon, geslachtshormonen (oestrogenen (bij de vrouw) en testosteron (bij de man)), bijnierhormonen en insuline kan door ijzerstapeling worden geremd. Verminderde produktie van insuline leidt tot suikerziekte.
IJzer kan uit het lichaam worden afgevoerd met speciale medicijnen. Voorbeelden van deze medicijnen zijn: Desferal, Ferriprox of Exjade.
Ontijzeringstherapie wordt ook wel chelatietherapie genoemd.
De enige manier om te genezen van sikkelcelziekte is door een beenmerg of stamceltransplantatie waarbij gebruik wordt gemaakt van de stamcellen (de voorlopercellen van alle bloedcellen) van een broer of zuster van de patiënt of een donor uit een internationale donorbank. Er zijn in de wereld slechts enkele honderden patiënten op deze manier behandeld. Afhankelijk van de leeftijd en de mate van schade aan het lichaam door sikelcelziekte, gaat zo’n transplantatie gepaard met complicaties. Een deel van de patiënten kan zelfs aan deze complicaties komen te overlijden. Bij iedere patiënt dient op grond van de schade, leeftijd en de beschikbaarheid van een donor, een afweging te worden gemaakt. In Nederland zijn tot nu toe slechts enkele sikkelcelpatiënten getransplanteerd.
Thalassemie is een erfelijke bloedziekte waarbij het lichaam onvoldoende en afwijkend hemoglobine aanmaakt (= hemoglobinopathie). Hemoglobine is een ijzer-rijk eiwit in rode bloedcellen. Het vervoert zuurstof naar alle delen van het lichaam en voert kooldioxide af naar de longen, waar het wordt uitgeademd.
Normaal hemoglobine bevat vier eiwit ketens: twee alpha- en twee bèta-globuline. De twee belangrijkste soorten thalassemie, alpha- en bèta- thalassemie, zijn vernoemd naar gebreken in deze eiwitketens.
Thalassemie is een autosomaal recessieve aandoening (zie kader 1). Patiënten worden met de ziekte geboren en kunnen niet genezen. Wereldwijd lijden miljoenen mensen aan thalassemie. Alpha-thalassemie komt vooral voor in families die hun wortels hebben liggen in Zuidoost-Azïe, India, China of de Filippijnen. Bèta-thalassemie wordt vooral gevonden bij patiënten afkomstig uit gebieden rond de Middellandse Zee (Griekenland, Italïe en het Midden-Oosten) of die van Aziatische of Afrikaanse oorsprong of afkomst zijn.
Vier genen (twee van elke ouder) zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van voldoende alpha-globuline ketens. De ernst van de aandoening is afhankelijk van het aantal genen dat ontbreekt:
|
Thalassemie is een autosomaal recessieve aandoening. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven. Dat thalassemie een recessieve aandoening is, blijkt uit het volgende. Vier genen zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van voldoende alpha-globuline. De meest ernstige vormen van alpha-thalassemie treden echter pas op wanneer men drie of vier van deze defecte genen erft. Twee genen zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van bèta-globuline. De meest ernstige vorm van bèta-thalassemie komt pas tot uiting wanneer men beide defecte van de ouders erft (zie de afbeelding hieronder). |
Twee genen (één van elke ouder) zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van voldoende bèta-globuline ketens (zie schema 1). Bèta-thalassemie-trait treedt op wanneer één gen is veranderd. Er kan dan een milde bloedarmoede optreden. Wanneer er mutaties in beide genen zijn opgetreden, kan een milde (bèta-thalassemie-intermedia) tot ernstige (bèta-thalassemie-major) bloedarmoede ontstaan. Deze meest ernstige vorm staat ook bekend Cooley's anemie.
De overige vormen van thalassemie zijn:
In Nederland zijn ongeveer 100-200 patiënten bekend. De ziekte komt evenveel voor bij mannen als bij vrouwen.
Sinds 1 januari 2007 worden in Nederland alle pasgeborenen alleen gescreend op de ernstige vorm van thalassemie (thalassemie major). Alle andere vormen zijn bij het hielprikonderzoek niet goed op te sporen.
Voor nadere informatie verwijzen wij naar de websites van de Landelijke Werkgroep Hemoglobinopathie Behandelaren en het Hemoglobinopathieën Laboratorium.
De klachten en symptomen van thalassemie variëren. Sommige mensen hebben slechts milde klachten, anderen vertonen zeer ernstige symptomen en moeten vaak in het ziekenhuis worden behandeld. Thalassemie is aanwezig bij de geboorte, toch vertonen maar weinig kinderen symptomen vóór ze de leeftijd van 6 maanden bereiken. De meest voorkomende symptomen zijn gekoppeld aan de bloedarmoede en zijn over het algemeen niet ernstig: vermoeidheid, kortademigheid, zwakte en bleekheid. Deze klachten zijn voornamelijk bij de ernstige vorm van thalassemie (thalassemie major) zo jong al manifest.
Complicaties die kúnnen ontstaan, zijn:
Thalassemie is een erfelijke ziekte en kan niet genezen worden. Wel kunnen de symptomen worden verlicht en complicaties worden voorkomen en behandeld. Met het invoeren van chronische bloedtransfusies is de prognose van thalassemie major sterk verbeterd, maar gingen patiënten toch op relatief jonge leeftijd dood door de complicaties van chronische bloedtransfusie (vooral ijzerstapeling van de lever en het hart). Na de invoering en verbetering van ontijzeringstherapie (chelatietherapie) is de prognose van de ziekte sterk verbeterd.
Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de aanbevelingen die hierna worden gegeven
De behandelingen bij thalassemie zijn erop gericht de symptomen te helpen verlichten en complicaties te voorkomen of onder controle te houden. Het belangrijkste van de behandeling van thalassemie major is transfusie therapie en adequate ontijzering. In Italië is grote ervaring opgedaan met het al op jonge leeftijd uitvoeren van beenmergtransplantaties. Anders dan bij sikkelcelziekte lijken de resultaten voor deze patiënten zo overtuigend, dat bij kinderen met ernstige thalassemie, het de aanbeveling verdiend, op zoek te gaan naar een geschikte donor voor het uitvoeren van een dergelijke transplantatie. Ook in Nederland worden deze transplantaties verricht.
Omdat veel kinderen op jonge leeftijd een milt verwijdering hebben ondergaan, moet rekening worden gehouden met een verhoogde gevoeligheid voor bacteriële infecties. Jonge kinderen moeten om die reden antibiotica profylaxe gebruiken, terwijl voor oudere kinderen en volwassenen geldt, dat zij laagdrempelig met antibiotica moeten worden behandeld. Alle kinderen en volwassenen met ernstige thalassemie moeten pneumococcen vaccinatie en een jaarlijkse griepvaccinatie krijgen.
Door vele bloedtransfusies kan ijzerstapeling optreden. Het lichaam kan zich niet van dit teveel aan ijzer ontdoen. Het ijzer in de lever kan leiden tot leverschade, leverfalen, leverkanker of levercirrose (=vorming van littekenweefsel in de lever). IJzerstapeling in het hart kan ook leiden tot hartfalen. Ook de productie van hormonen, zoals het schildklierhormoon, geslachtshormonen (oestrogenen (bij de vrouw) en testosteron (bij de man)), bijnierhormonen en insuline kan door ijzerstapeling worden geremd. Verminderde produktie van insuline leidt tot suikerziekte.
IJzer kan uit het lichaam worden afgevoerd met speciale medicijnen. Voorbeelden van deze medicijnen zijn: Desferal, Ferriprox of Exjade.
Ontijzeringstherapie wordt ook wel chelatietherapie genoemd.
Sferocytose en elliptocytose zijn erfelijke vormen van bloedarmoede, die worden veroorzaakt door een afwijkende vorm van de rode bloedcellen en vaak gepaard gaan met geelzucht en een vergrote milt.
Rode bloedcellen zijn gevuld met hemoglobine, een eiwit dat zuurstof van de longen naar de weefsels vervoert en kooldioxyde naar de longen retourneert. Om een goede gasuitwisseling (zuurstof én kooldioxide) in de cel mogelijk te maken, dient het oppervlakte van de rode bloedcellen in verhouding tot de inhoud maximaal te zijn. Rode bloedcellen hebben daarom een biconcave vorm (een schijfvorm met een ingedeukt centrum). Ook dienen de rode bloedcellen goed vervormbaar te zijn, om in de kleinste bloedvaatjes te kunnen doordringen.
Bij erfelijke sferocytose en elliptocytose heeft de celwand van de rode bloedcellen een afwijkende vorm. De cellen zijn minder goed in staat tot gasuitwisseling en de celwand is minder flexibel. De rode bloedcellen zijn kwetsbaarder en worden sneller afgebroken waardoor er een hemolytische anemie ontstaat.
Beide aandoeningen zijn autosomaal dominant (zie kader 1). De aandoeningen komen ongeveer evenveel bij mannen als bij vrouwen voor. Ongeveer 3 op de 10.000 pasgeborenen heeft aangeboren sferocytose. Erfelijke elliptocytose is zeer zeldzaam.
Erfelijke sferocytose kenmerkt zich door de vernietiging van abnormale rode bloedcellen die de vorm van een afgeplatte bol hebben. Bij erfelijke sferocytose zijn de rode bloedcellen minder flexibel en worden ze sneller door de milt weggevangen en afgebroken.
Erfelijke elliptocytose is een zeldzame aandoening waarbij de rode bloedcellen ovaal (=elliptisch) van vorm zijn. Hemolyse van de rode bloedcellen is meestal niet of nauwelijks aanwezig en er is ook nauwelijks sprake van bloedarmoede. Wel komt vaak een vergrote milt voor.
|
Beide aandoeningen zijn autosomaal dominant. Dit betekent dat wanneer slechts één van beide ouders het afwijkend gen bezit, de aandoening bij het kind tot uiting komt (=dominant). Het geslacht van het kind is hierbij niet van invloed; dit komt omdat het afwijkend gen niet op het chromosoom ligt dat het geslacht van het kind bepaald (= autosomaal). |
Symptomen die zich kunnen voordoen zijn:
De symptomen bij elliptocytose zijn in het algemeen milder dan die van sferocytose.
Als de diagnose hemolytische anemie is gesteld, zal via aanvullend bloedonderzoek worden onderzocht of er sprake is van sferocytose of elliptocytose of een andere hemolytische anemie:
Omdat het hier erfelijke aandoeningen betreft, is genezing niet mogelijk. In veel gevallen is een behandeling echter ook niet nodig, omdat er nauwelijks klachten zijn.
Wanneer een patiënt nauwelijks symptomen toont, is een behandeling in veel gevallen niet noodzakelijk. Wanneer er klachten optreden bij een aanval van ernstige hemolyse (afbraak), kan een bloedtransfusie worden gegeven. Deze behandeling is echter zelden nodig.
Het verwijderen van de milt is een behandeling die zelden nodig is. Wanneer de milt niet meer aanwezig is, is de levensduur van de rode cellen normaal en verdwijnen bijna altijd alle verschijnselen. De milt speelt echter ook een belangrijke rol bij het bestrijden van infecties. Het verwijderen van de milt heeft dus zowel voor- als nadelen en wordt alleen toegepast indien strikt noodzakelijk .
![]() |
G6PD is een enzym dat ervoor zorgt dat een rode bloedcel van voldoende energie uit voedingsstoffen (glucose of suiker) wordt voorzien. Zonder voldoende functionerend G6PD enzym komt de rode bloedcel energie tekort en kan het hemoglobine geen zuurstof meer transporteren. De rode bloedcel valt uiteen en sterft. Een aantal factoren kan deze afbraak van de rode bloedcellen “triggeren”: anti-malaria middelen, infecties en bij sommige mensen het eten van tuinbonen.
Het G6PD-gen bevindt zich op het X-chromosoom. Het is een geslachtsgebonden recessieve aandoening (zie schema 1). Bij mannen met de aandoening kan de G6PD activiteit gering zijn of geheel ontbreken. Vrouwen kunnen drager zijn; vaak is de G6PD activiteit dan vrijwel normaal. Toch komt het ook bij vrouwelijke patiënten voor dat ernstige klachten optreden.
De twee meest voorkomende vormen G6PD deficiëntie treffen vooral mannen van Afrikaanse afkomst (G6PD van het A(-)type)), of mannen afkomstig uit de landen rond de middellandse zee (G6PD van het Mediterrane-type).
Bij deze erfelijke aandoening missen de rode bloedcellen een belangrijk enzym genaamd pyruvaat kinase (PK). Net als het G6PD enzym zorgt het pyruvaat kinase ervoor dat de rode bloedcellen van voldoende energie worden voorzien. Door het ontbreken van dit enzym zullen de rode bloedcellen sneller uiteenvallen en sterven.
PK deficiëntie is een autosomaal recessieve aandoening. De patiënt heeft het defecte gen van beide ouders geërfd (zie schema 1).
Zeer zeldzame andere enzymdeficiënties die hemolytische anemie veroorzaken zijn: glucosefosfaatisomerase, pyrimidine-5'-nucleotidase, triosefosfaatisomerase, hexokinase, aldolase, difosfoglyceraatmutase en glutathion-synthetiserende enzymen.
G6PD - geslachtsgebonden overervingDe chromosomen die iemands geslacht bepalen zijn het X- en Y-chromosoom. Mannen hebben één X- en één Y-chromosoom; vrouwen hebben twee X-chromosomen. De genen voor G6PD bevinden zich op het X-chromosoom. Omdat mannen slechts één X-chromosoom bezitten, zullen zij G6PD-deficiëntie hebben wanneer zij één gen daarvoor erven (situatie A, B en C). Omdat vrouwen twee X-chromosomen bezitten, zal het X-chromosoom waarop zich níet het G6PD-deficiëntie gen bevindt, de functie van het andere X-chromosoom overnemen en zo zal alsnog voldoende functionerende enzymen worden geproduceerd. Vrouwen die één defect gen bezitten, heten draagsters en zij kunnen de ziekte doorgeven aan hun kinderen (situatie A en B). In het uiterst zeldzame geval dat de vader G6PD-deficiëntie heeft en de moeder drager is, kan ook de dochter getroffen worden door een ernstige vorm van G6PD-deficiëntie (situatie B). PK - recessief autosomale overervingEen recessieve aandoening komt alleen tot uitdrukking wanneer men van beide ouders het defecte gen heeft geërfd. Wordt slechts door één ouder een defect gen doorgegeven, dan zal het kind drager zijn van de aandoening. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven. |
De klachten en symptomen variëren. Sommige mensen hebben slechts milde klachten, anderen vertonen zeer ernstige symptomen en moeten in het ziekenhuis worden behandeld. De meest voorkomende symptomen zijn gekoppeld aan de bloedarmoede en zijn over het algemeen niet ernstig:
Patiënten die vroeg gediagnosticeerd en behandeld worden, hebben een normale levensverwachting.
Bij een ernstige hemolytische aanval kan een bloedtransfusie nodig zijn. De behandeling bestaat bij G6PD deficiëntie tevens uit het wegnemen van de oorzaken die de hemolytische aanval hebben opgewekt.
|
Op zaterdag 21 april 2012 organiseert de St. AA & PNH Contactgroep een bijeenkomst voor aplastische anemie patiënten en PNH patiënten met aplastische anemie, met o.a. de volgende onderwerpen:
Uiteraard is er voldoende tijd om met lotgenoten te praten. De locatie is nog niet bekend maar zal in het midden van het land zijn. Als "lid" van de contactgroep krijgt u vanzelf een uitnodiging. Bent u nog geen "lid" en zou u wel naar deze bijeenkomst willen komen, stuur dan een E-mail aan Andrea Stiene (info@bloedziekten.nl). Wij hopen er een informatieve dag van te maken. Het bestuur van de AA & PNH contactgroep Andrea Stiene |
PNH is een verworven hemolytische anemie die ontstaat door een verandering (mutatie) in een gen in de stamcel. Normaal gesproken zorgt dit gen ervoor dat er een bepaald ankereiwit wordt aangemaakt dat de rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes nodig hebben om eiwitten aan zich te binden. Deze eiwitten helpen onder andere bij de bestrijding van chemische aanvallen en infecties en spelen een rol bij de stolling. Door het defecte gen ontstaan abnormaal gevoelige rode bloedcellen die onder bepaalde omstandigheden sneller kapot gaan (hemolyse).
Een belangrijk kenmerk van PNH is het 's nachts kapot gaan van de rode bloedcellen. Dit komt bij ongeveer een kwart van de patiënten voor. De afbraak en het afvoeren van de afbraakproducten met de urine leidt tot de rood/bruin gekleurde ochtendurine. Hier komt de naam Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH) ofwel aanvalsgewijze nachtelijk rode urine vandaan. De ernst van PNH verschilt sterk van individu tot individu. Soms kunnen bloedtransfusies nodig zijn om de rode bloedcellen aan te vullen. Soms is er bij PNH een verhoogd risico op vorming van stolsels. Dit kan tot ernstige complicaties en soms tot levensgevaarlijke situaties leiden. Bij 3-5% van de patiënten wordt een overgang naar acute leukemie gezien.
PNH is een zeldzame ziekte en wordt in Nederland ieder jaar bij 40-80 patiënten vastgesteld. PNH komt het meest voor bij volwassenen tussen de 30 en 50 jaar, maar de aandoening kan op iedere leeftijd voorkomen. De ziekte komt iets vaker voor bij vrouwen dan bij mannen (de verhouding is 1,2 tot 1).
Bij een autoimmuun hemolytische anemie vernietigt het afweersysteem van het lichaam de rode bloedcellen. Dit kan ook voorkomen bij het gebruik van bepaalde geneesmiddelen. In zeldzame gevallen kan dit ook leiden tot vorming van afweerstoffen tegen rode bloedcellen.
Bij de autoimmuun hemolytische anemie (AIHA), produceert een patiënt ten onrechte antistoffen tegen de eigen rode bloedcellen (auto = zelf; immuun = afweer). De met antistoffen beladen rode bloedcellen worden vervolgens vernietigd in de bloedbaan (door de antistof zelf) of doordat ze worden weggevangen door de lever en milt. De oorzaak van AIHA is onbekend. Wel kan een persoon na bepaalde ziekten of infecties meer kans op het ontwikkelen van AIHA hebben. Dit zijn bijvoorbeeld: chronische lymfatische leukemie, non-Hodgkin lymfoom, bloedkanker en andere vormen van kanker. Maar ook bij Epstein-Barr virus infectie, cytomegalovirus infectie, mycoplasma pneumonie (een longinfectie), hepatitis (ontstekingen aan de lever) en humaan immunodeficiëntie virus (HIV). De aandoening kan zeer snel optreden en ernstige vormen aannemen.
Sommige typen AIHA produceren zogenaamde warmte-antilichamen. Dit betekent dat de antilichamen actief worden (en dan dus bloedcellen gaan vernietigen) bij hogere temperaturen, zoals lichaamstemperatuur. Bij een ander type AIHA produceert het lichaam "koude-antilichamen"(wat betekent dat ze actief worden bij blootstelling aan koudere temperaturen). Koude-antilichamen kunnen actief worden wanneer het lichaam (meestal de handen of voeten) wordt blootgesteld aan temperaturen van minder dan 0 - 10 graden Celsius). Warmte-reactieve antilichamen AIHA komen vaker voor dan koude-reactieve antilichamen AIHA.
Ook in reactie op het gebruik van bepaalde geneesmiddelen kunnen antistoffen worden aangemaakt die een hemolytische reactie veroorzaken. Deze geneesmiddelen zijn onder andere hoge doses van penicilline en aanverwante geneesmiddelen, kinine en andere geneesmiddelen voor de behandeling van malaria en bepaalde ontstekingremmende geneesmiddelen. Door te stoppen met het gebruik van de geneesmiddelen zal de afbraak van de rode bloedcellen stoppen en zullen de symptomen verdwijnen.
Symptomen worden veroorzaakt door de te lage aantallen bloedcellen:
Als de symptomen mild zijn is vaak geen behandeling nodig is. Als de hemolyse toeneemt en meer rode bloedcellen worden vernietigd kan worden gekozen voor behandeling met:
Wanneer door de hemolyse ernstige bloedarmoede ontstaat, kan een bloedtransfusie nodig zijn.
Hemofilie of “bloederziekte” is een erfelijke aandoening waarbij bloedingen in spieren en gewrichten optreden door een tekort aan stollingsfactoren. Er bestaan twee typen hemofilie: hemofilie A en hemofilie B.
Hemofilie A wordt veroorzaakt door een tekort (= deficiëntie) aan factor VIII , hemofilie B door een tekort aan factor IX. Hemofilie A komt 5 maal meer voor dan hemofilie B. De ernst van hemofilie kan variëren van ernstig, matige ernstig en mild. Dit wordt bepaald door de hoeveelheid factor VIII of IX dat in het bloed aanwezig is.
Hemofilie is een geslachtsgebonden aandoening die van ouder op kind wordt doorgegeven. Omdat de factor VIII en IX genen op het X-chromosoom zijn gelegen, treft de ziekte vrijwel uitsluitend mannen. Vrouwen zijn draagster van de ziekte, maar kunnen ook een verlaagd stollingsfactor gehalte hebben met bloedingsproblemen (zie schema 1 - erfelijkheid). In Nederland zijn ongeveer 1600 hemofilie patiënten.
Lees meer over het
proces van de bloedstolling.
In tegenstelling tot hemofilie A en B zijn de overige aandoeningen waarbij een stollingsfactor ontbreekt niet-geslachtsgebonden maar autosomaal (zie onderstaand overzicht). Deze stollingsfactor tekorten zijn zeer zeldzaam.
|
Ontbrekende of defecte stollingsfactor |
Erfelijkheid |
|---|---|
|
Factor I (fibrogeen)-deficiëntie is de term die wordt gebruikt voor verschillende zeldzame stollingsaandoeningen: afibrinogenemie (een volledig ontbreken van fibrinogeen); hypofibrinogenemie (lage niveaus van fibrinogeen) en dysfibrinogenemie (slecht functionerend fibrinogeen) |
Een zeer zeldzame stollingsziekte. Afibrinogenemie en hypofibrinogenemie zijn autosomaal recessief; dysfibrinogenemie is autosomaal dominant. Het gen ligt op chromosoom 4. |
|
Factor II (protrombine)-deficiëntie. |
Een zeer zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte |
|
Factor V (proaccelerine)-deficiëntie |
Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 1. |
|
Factor VII (proconvertin)-deficiëntie. Factor VII-deficiëntie kan ook worden veroorzaakt door een leverziekte of vitamine K gebrek. |
Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 13. |
|
Factor X deficiëntie |
Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 13. |
|
Factor XI (plasma tromboplastinetijd antecedent)-deficiëntie staat ook bekend als hemofilie C. Het verschilt van hemofilie A of B in dat er zich geen bloedingen in gewrichten en spieren voordoen. |
Na van Willebrand ziekte, de meest voorkomende autosomaal dominante stollingsstoornis. Factor XI deficiëntie komt bij alle rassen voor, maar vooral voor bij joden van Oost-Europese afkomst. Het gen ligt op chromosoom 4. Werd vroeger Hemofilie C genoemd. |
|
Factor XIII (fibrine stabiliserende factor)-deficiëntie |
Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. |
Geslachtsgebonden overervingDe chromosomen die iemands geslacht bepalen zijn het X- en Y-chromosoom. Mannen hebben één X- en één Y-chromosoom; vrouwen hebben twee X-chromosomen. De genen voor hemofilie A en B bevinden zich op het X-chromosoom. Omdat mannen slechts één X-chromosoom bezitten, hebben zij hemofilie wanneer zij één gen daarvoor erven (situatie A, B en C). Omdat vrouwen twee X-chromosomen bezitten, zal het X-chromosoom waarop zich níet het (afwijkende) hemofilie gen bevindt, de functie van het andere X-chromosoom overnemen en zo zal meestal voldoende functionerende stollingsfactor worden geproduceerd, maar kunnen ook een verlaagde hoeveelheid stollingsfactor in het bloed hebben. Vrouwen die één defect hemofilie-gen bezitten, heten draagsters en zij kunnen de ziekte doorgeven aan hun kinderen (situatie A en B). In het uiterst zeldzame geval dat de vader hemofilie heeft en de moeder drager is, kan ook de dochter getroffen worden door een ernstige vorm van hemofilie (situatie B). Meestal komt hemofilie al in de familie voor, maar in ongeveer 30% van de gevallen is er geen patiënt in de familie bekend. Er is dan meestal sprake van een spontane verandering (mutatie) in het factor VIII of IX gen van de moeder opgetreden. |
De symptomen van hemofilie A en B zijn afhankelijk van de ernst van de aandoeningen en voor beide typen identiek:
De diagnose wordt als volgt gesteld:
De ernst van hemofilie wordt bepaald door de stollingsactiviteit van het factor VIII of factor IX in het bloed. Er worden drie niveaus onderscheiden: licht, matig en ernstig (zie tabel 1).
Met een tijdige en goede behandeling en verzorging, hebben hemofiliepatiënten een normale levensverwachting.Patiënten met ernstige hemofilie hebben het meeste last van de ziekte. Zij krijgen vaak spontaan bloedingen in de spieren en/of gewrichten. Dit leidt uiteindelijk tot ernstige gewrichtsschade en invaliditeit. De meeste patiënten met ernstige hemofilie gebruiken ter voorkoming van bloedingen stollingsfactoren (profylaxe). Hiervoor injecteren de ouders of de patiënten zelf 2 tot 3 keer per week stollingsfactoren in een bloedvat in de arm.
|
Niveau |
Stollingsactiviteit van het bloed |
Symptomen |
|
normaal |
50 - 150% | |
|
licht |
5 - 40% |
Bloedingen na chirurgische ingrepen of ernstige ongevallen |
|
matig |
1 - 5% |
Bloedingen meestal na een verwonding of spontaan; hooguit één maal per maand |
|
ernstig |
minder dan 1% |
Spontane bloedingen in spieren en gewrichten; vaak meerdere bloedingen per week |
Hemofilie wordt behandeld door de ontbrekende stollingsfactor in het bloed te injecteren. De behandeling van hemofilie vindt in Nederland plaats in een van de dertien hemofilie behandelcentra. Ook draagsters met een laag stollingsfactor gehalte (minder dan 50%), of zwangere draagsters dienen in een hemofiliebehandelcentrum te worden behandeld en geadviseerd. Aan de hemofiliebehandelcentra zijn naast een arts ook gespecialiseerde verpleegkundigen, fysiotherapeuten en andere zorgverleners met kennis van hemofilie werkzaam. (zie tabel 2 met de lijst voor hemofilie behandelcentra)
Er zijn veel ontwikkelingen in de hemofiliezorg te verwachten in de komende jaren. Inmiddels zijn stollingsfactoren ontwikkeld die langer in het bloed circuleren en daardoor minder vaak hoeven te worden toegediend. Zo kunnen patiënten in plaats van drie keer per week, één keer in de week prikken. Hier worden nu de eerste onderzoeken mee gedaan. Ook is er veel laboratoriumonderzoek gaande naar gentherapie. Hierbij wordt een nieuw gen geïntroduceerd in het lichaam en worden zo stollingsfactoren aangemaakt. In dierproeven blijken deze technieken goed te werken, maar het zal nog lange tijd duren voordat het in mens toepasbaar is.
|
Plaats
|
Ziekenhuis
|
Doelgroep
|
|
Amsterdam
|
Emma kinderziekenhuis en Academisch Medisch Centrum
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Amsterdam
|
VU medisch centrum
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Breda
|
Amphia Ziekenhuis, locatie Molengracht
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Den Haag
|
HagaZiekenhuis, locatie Leyenburg
|
Volwassenen
|
|
Eindhoven
|
Catharina-ziekenhuis (kinderen) en Máxima Medisch Centrum (volwassenen)
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Groningen
|
Beatrix kinderkliniek en Universitair Medisch Centrum Groningen
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Haarlem
|
Kennemer Gasthuis, locatie zuid
|
Volwassenen
|
|
Heerlen
|
Atrium Medisch Centrum
|
Volwassenen
|
|
Leiden
|
Leids Universitair Medisch Centrum
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Maastricht
|
Academisch Ziekenhuis Maastricht
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Nijmegen
|
Universitair Medisch Centrum Nijmegen St Radboud
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Rotterdam
|
Erasmus MC-Sophia (kinderen) en Erasmus MC centrum lokatie (volwassenen)
|
Kinderen en volwassenen
|
|
Utrecht
|
Universitair Medisch Centrum Utrecht, Van Creveldkliniek-Hematologie
|
Kinderen en volwassenen
|
www.nvhp.nl (Nederlandse vereniging voor hemofiliepatiënten). De patiëntenorganisatie heeft uitgebreide brochures beschikbaar over de ziekte, erfelijkheid en de behandeling.
De ziekte van von Willebrand (of "VWD") is de meest voorkomende erfelijke stollingsstoornis. Door een tekort aan het stollingseiwit Von Willebrand factor (vWF), stolt het bloed moeilijker en zullen bloedingen langer aanhouden. Veel patiënten ondervinden weinig last van de aandoening, echter bij ernstig letsel of chirurgische ingrepen dient men waakzaam te zijn.
Ongeveer 1% van de bevolking heeft een tekort aan VWF. Bij ongeveer 1:1000 mensen treden bloedingen op. Er worden drie erfelijke typen VWD onderscheiden:
VWD wordt dus autosomaal dominant of autosomaal recessief doorgegeven aan het kind (zie schema 1 - erfelijkheid). Soms treedt VWD op als gevolg van een spontane verandering in de VWD-gen voordat de baby wordt geboren. De overerving in families is niet altijd duidelijk omdat de expressie (uiting) van de ziekte niet bij iedereen hetzelfde is.
Lees meer over het
proces van de bloedstolling.
|
De ziekte van Von Willebrand is een autosomaal dominante (figuur 1) en soms - in het geval van type 3 VWD - een autosomaal recessieve aandoening (figuur 2). Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven. Type 1 en 2 VWD zijn dominante aandoeningen wat betekent dat het bezit van één defect gen (= heterozygoot) voldoende is om de ziekte te krijgen. figuur 1 Een recessieve aandoening komt alleen tot uitdrukking wanneer men van beide ouders het defecte gen heeft geërfd. Wordt slechts door één ouder een defect gen doorgegeven, dan zal het kind drager zijn van de aandoening. figuur 2 |
Soms hebben mensen met VWD weinig of geen symptomen, soms wordt VWD dan ook bij toeval ontdekt wanneer na een ernstig ongeval of een tandheelkundige of chirurgische ingreep er zware bloedingen optreden.Ook kan de ziekte worden vastgesteld als bij een familielid de ziekte is gevonden. Anderen hebben veel bloedingsproblemen, zoals frequente en lang durende neusbloedingen, overmatige menstruatie en groet blauwe plekken.
De symptomen die kunnen optreden zijn:
De diagnose wordt als volgt gesteld:
Met een tijdige en goede behandeling en verzorging, hebben patiënten een normale levensverwachting.
De behandeling is ten dele afhankelijk van de aard van VWD. Mensen met een milde vorm van VWD hebben vaak geen behandeling nodig, behalve in het geval van chirurgische of tandheelkundige ingrepen. VWD kan worden behandeld met het synthetisch stollingsfactor concentraat desmopressine of met VWF/Factor VIII concentraten die worden bereid uit het plasma van bloeddonoren. Daarnaast kunnen antifibrinolytica (tranexaminezuur, Cyklokapron®)worden gegeven. Dit middel voorkomt dat bloedstolsels oplossen.
De behandeling van patiënten met matig-ernstige en ernstige von Willebrand ziekte, die afhankelijk zijn van stollingsfactor producten vindt in Nederland plaats in een van de dertien hemofilie behandelcentra, of onder verantwoordelijkheid van een van die centra. Aan de hemofiliebehandelcentra zijn naast een arts ook gespecialiseerde verpleegkundigen, fysiotherapeuten en andere zorgverleners met kennis van hemofilie en von Willebrand ziekte werkzaam. (lijst behandelcentra).
Er is recent een nieuw von Willebrand factor concentraat ontwikkeld via zogenaamde recombinante DNA technieken. Op dit moment wordt het middel wetenschappelijk onderzocht. Het zal pas over enkele jaren voor patiënten beschikbaar zijn
www.nvhp.nl (Nederlandse Vereniging voor HemofiliePatiënten). De patiëntenorganisatie heeft uitgebreide brochures beschikbaar over de ziekte, erfelijkheid en de behandeling.
De ziekte van Glanzmann (Glanzmann trombastenie) is een erfelijke aandoening veroorzaakt door een afwijking in de bloedplaatjes. Bloedplaatjes (trombocyten) zorgen voor de eerste bloedstelping zodra een wondje optreedt. Bij een tekort aan bloedplaatjes of niet goed werkzame bloedplaatjes, kunnen bloedingen optreden na trauma, na operaties en ingrepen of zelfs spontaan. Bij de ziekte van Glanzmann ontbreekt een van de eiwitten (glycoproteïne) dat zich op het oppervlakte van de bloedplaatjes bevindt. Deze glycoproteinen zorgen ervoor dat bij een verwonding de bloedplaatjes aan elkaar kleven en een stolsel ontstaat. Bij de ziekte van Glanzmann zullen door het ontbreken van goed functionerende bloedplaatjes, bloedingen moeilijk te stelpen zijn.
Glanzmann trombastenie is een autosomaal recessieve aandoening, wat betekent dat beide ouders het abnormale gen aan hun kinderen moeten hebben doorgegeven om de ziekte te krijgen. De ouders zelf kunnen drager zijn en geen symptomen van de ziekte vertonen. Zowel mannen als vrouwen kunnen de ziekte van hun ouders erven.
Lees meer over het
proces van de bloedstolling.
|
De ziekte van Glanzmann is een autosomaal recessieve aandoeningen. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven. Recessief betekent dat betekent dat beide ouders drager moeten zijn van het defecte gen om de ziekte aan hun kind door te kunnen geven. |
De symptomen van de ziekte van Glanzmann worden meestal in de kindertijd voor het eerst opgemerkt. De bloedingen die optreden kunnen van patiënt tot patiënt verschillen en zeer mild tot potentieel levensbedreigend zijn:
De ziekte is goed te behandelen mits de diagnose gesteld wordt en rondom ingrepen en bij ernstige bloedingen een goede therapie wordt gegeven.
Behandeling zal vooral nodig zijn voor operaties, tandheelkundige ingrepen en ongevallen en bestaat uit:
Vooralsnog zal de behandeling bestaan uit de toediening van bloedplaatjes van bloeddonoren. Recent is recombinant Factor VIIa geregistreerd voor de behandeling van deze zeldzame ziekte.
www.nvhp.nl (Nederlandse Vereniging voor HemofiliePatiënten). De patiëntenorganisatie heeft uitgebreide brochures beschikbaar over de ziekte, erfelijkheid en de behandeling.
(A)ITP is een auto-immuunziekte, waarbij patiënten antistoffen aanmaken die zich hechten aan het oppervlak van hun eigen bloedplaatjes (auto-antistoffen). Dit leidt tot een versnelde afbraak in de milt en - in mindere mate - de lever. Er ontstaat een tekort aan bloedplaatjes (=trombocytopenie). Omdat bloedplaatjes betrokken zijn bij de bloedstolling, is er bij een tekort een verhoogde kans op bloedingen.
Het aantal personen in Nederland met ITP wordt geschat op ongeveer 2 - 3 op de 100.000 mensen. Bij volwassenen, lijden ongeveer 1,5 tot 2 maal meer vrouwen dan mannen aan de ziekte. Bij kinderen is de verhouding ongeveer gelijk. De ziekte komt voor in alle leeftijds- en etnische groepen. De naam ITP is als volgt samengesteld:
De oorzaak van het ontstaan van ITP is niet bekend, daarom wordt deze ziekte "idiopatisch" genoemd. Infecties of een zwangerschap kunnen wel het ontstaan van ITP in gang zetten.
Er zijn twee vormen van ITP, de acute en de chronische vorm. De acute vorm duurt per definitie korter dan 6 maanden en komt vooral voor bij kinderen tussen de 2 en 8 jaar en is in de meeste gevallen van voorbijgaande aard. Het komt bij jongens even vaak voor als bij meisjes. Vaak gaat het om vooraf gezonde kinderen waarbij plotseling blauwe plekken ontstaan en/of neusbloedingen optreden, na een infectie. Soms gaat de acute vorm over in de chronische vorm. De chronische vorm komt vooral voor bij volwassen. Zoals bij de meeste auto-immuun aandoeningen, treedt het vaker op bij vrouwen dan bij mannen.
30 % van de chronische ITP patiënten heeft reeds een andere auto-immuun aandoening, zoals een schildklieraandoening of reuma.
ITP = Idiopathische thrombocytopenische purpura = AITP = Auto immuun trombocytopenische purpura = Ziekte van Werlhof.
Bloedplaatjes zijn de celelementen die een belangrijke rol spelen bij bloedstolling. Ze ontstaan in het beenmerg uit voorlopercellen (zogenaamde megakaryocyten). Voor de aanmaak is een bloed hormoon nodig: trombopoietine, afgekort TPO. Bij een verwonding of andere bloeding vormen bloedplaatjes een stolsel samen met een ingewikkeld systeem van eiwitten uit het bloed (de stollings factoren). Daardoor kan de bloeding gestopt worden. Normaal is het aantal bloedplaatjes 150 tot 450 miljard per liter bloed. Bij ITP is dit aantal verlaagd tot onder de 100 miljard. Symptomen ontstaan meestal pas bij een sterk afgenomen aantal bloedplaatsjes tot bijvoorbeeld 10 miljard per liter en kunnen bestaan uit:
Omdat er veel oorzaken bestaan voor een tekort aan bloedplaatjes, zijn de onderzoeken er op gericht andere oorzaken uit te sluiten:
Wanneer geen behandeling noodzakelijk is (wanneer geen bloedingen vóórkomen en het aantal trombocyten hoger dan 30 miljard/liter bloed blijft) hebben patiënten met ITP een normale levensverwachting.

Er is geen standaardbehandeling van ITP. De keuze om te gaan behandelen is afhankelijk van een aantal factoren:
Behandeling vindt in eerste instantie plaats met:
Als de ziekte terug komt na een eerstelijns behandeling (=recidief) komt in eerste instantie verwijdering van de milt aan de orde (de milt vangt bloedplaatjes weg, verwijdering betekent dat de bloedplaatjes langer in het lichaam blijven circuleren).
Er kan worden overwogen worden een behandeling met Romoplostim (Nplate) te starten (zie "nieuwe ontwikkelingen"). Andere mogelijkheden zijn medicijnen zoals Azathioprine (Imuran) en Cyclofosfamide (Endoxan). Dit zijn middelen die een sterk remmende invloed hebben op de afweerfunctie van het lichaam. De respons op ITP is wisselend, maar sommige patiënten kunnen er langdurig baat bij hebben. Ook kan Danazol gegeven worden. Dit is een hormoon met milde mannelijke werking, dat de aanmaak van bloedcellen, waaronder bloedplaatjes, stimuleert.
Over het algemeen worden dezelfde richtlijnen gehanteerd als bij ITP zonder zwangerschap: pas behandelen wanneer het aantal trombocyten minder dan 30 miljard/liter is, of bij bloedingen. Rond de bevalling moet het aantal trombocyten het liefst groter zijn dan 50 miljard/liter. Tijdens het 1e en 2e trimester worden corticosteroïden voorgeschreven (wanneer de behandeling niet aanslaat of corticosteroïden niet kunnen worden gegeven: intraveneus gamma-globuline). Tijdens het 3e trimester wordt bij voorkeur intraveneus gamma-globuline gegeven.
Bij de pasgeborene wordt direct na de geboorte én na 3-4 én 9-10 dagen het aantal bloedplaatjes gemeten.
Er zijn geen bezwaren tegen het geven van borstvoeding.
Elders op deze website staat een overzicht van alle lopende hematologische
studies (trials) in Nederland.
Bij het ontstaan van autoantistoffen spelen lymfocyten (type witte bloedcellen) een belangrijke rol. Ruwweg kunnen 2 soorten lymfocyten worden onderscheiden, de B-lymfocyten en de T-lymfocyten. Zowel B- als T-lymfocyten spelen bij het ontstaan van ITP een rol. Beïnvloeding van de functie van deze cellen kan de productie van autoantistoffen verminderen en zo het aantal bloedplaatjes doen stijgen. Enkele jaren geleden is een nieuw geneesmiddel ontwikkeld dat specifiek gericht is tegen B-lymfocyten. Dit geneesmiddel, Rituximab, werd tot voor kort vooral gebruikt bij de behandeling van non-Hodgkin lymfomen. Recent zijn in verschillende onderzoeken gunstige effecten van rituximab bij ITP beschreven. Bij een aanzienlijk deel van de patiënten kan dit middel een verhoging van het aantal bloedplaatjes geven.
Een behandeling met Rituximab was mogelijk in HOVON 64 studieverband. Deze studie is op dit moment echter gesloten voor nieuwe deelnemers (maximum aantal is bereikt).
Eind 2008 heeft de FDA (http://www.hematology.org/policy/resources/fda/11212008.cfm) Eltrombopag tabletten goedgekeurd voor de behandeling van trombocytopenie bij patiënten met chronische ITP die onvoldoende reageren op corticosteroïden, immunoglobulinen en waarbij splenectomie niet mogelijk is. Eltombopag is echter in Nederland niet geregistreerd en kan dus nog niet voorgeschreven worden.
Inmiddels kan in Nederland Romiplostim (Nplate, onderhuidse injecties) wel buiten studie verband voorgeschreven worden aan volwassen (18 jaar en ouder) patiënten waarbij de milt is verwijderd vanwege ITP en die eerder behandeld zijn met corticosteroiden of immunoglobulines en waarbij deze middelen niet (meer) werken. Romiplostim kan ook gebruikt worden bij reeds behandelde volwassen patiënten met chronische ITP waarbij een chirurgisch ingreep geen optie is.
Deze 2 zogenaamde "MPL agonisten" beïnvloeden niet de onderliggende oorzaak van de ziekte en dus dient men bij het stoppen ervan, rekening te houden met weer (soms extra) lage aantallen bloedplaatjes. Het middel is wel bij ongeveer bij 80% van de patiënten effectief, alhoewel het optimaal doseren van het middel soms niet eenvoudig kan zijn.
Trombotische trombocytopenische purpura (TTP) is een zeldzame, levensbedreigende aandoening waarbij klonteringen van trombocyten (= bloedplaatjes) de kleine bloedvaten afsluiten.
Jaarlijks wordt de ziekte bij ongeveer 50 mensen in Nederland vastgesteld en vaker bij vrouwen dan bij mannen (verhouding 8 : 1). De aandoening kan op iedere leeftijd optreden, maar de meeste patiënten zijn tussen de 20 en 40 jaar.
TTP ontstaat in meer dan 96% van de patiënten door een aantoonbaar tekort van een bepaald enzym: ADAMTS13 enzym. Dit enzym breekt grote ketens van een bepaalde stollingseiwit (de zogenaamde Von Willebrand Factor (=vWF)) af tot kleinere eenheden. Door het tekort aan dit enzym (het zogenaamde ADAMTS13) ontstaan lange slierten van het stollingseiwit in de bloedvaten. Deze slierten beperken de vrije doorgang van bloedplaatjes. De bloedplaatjes klonteren samen tegen de vaatwand. Door deze samenklontering worden veel bloedplaatjes verbruikt en ontstaat een tekort (= trombocytopenie). Een tekort aan bloedplaatjes kan weer leiden tot bloedingen.
Bij een tijdige diagnose kan deze levensbedreigende aandoening bij 85% van de patiënten met succes worden behandeld.
Er bestaan twee typen TTP: een verworven (niet-erfelijke) en een zeer zeldzame erfelijke vorm.
Bij de verworven vorm is het ADAMTS13-gen zelf niet veranderd, maar maakt het eigen lichaam antistoffen aan die de activiteit van het ADAMTS13 enzym blokkeren. De ziekte ontwikkelt zich meestal spontaan. Er is echter een aantal factoren dat TTP kan "triggeren":
De erfelijke vorm van TTP is extreem zeldzaam. Hierbij treden er mutaties op in het ADAMTS13-gen. Het lichaam maakt daardoor geen of geen normaal functionerend ADMTS13 enzym meer aan.
Deze ziekte begint vaak met zeer algemene klachten van koorts, hoofdpijn, malaise en diarree. Wanneer de ziekte zich verder ontwikkelt en er kleine stolsels in de bloedvaten ontstaan, worden er steeds meer bloedplaatjes verbruik en ontstaat daaraan een tekort (= trombocytopenie) op. Dit kan bloedingen veroorzaken: neus- en tandvleesbloedingen, petechiën (kleine puntbloedinkjes) en soms zeer grote en donkere blauwe plekken. Soms kan bleekheid of geelzucht (een gelige kleur van de huid of oogwit) optreden of kan er wat bloed in de urine gevonden worden.
De klonteringen van bloedplaatjes verstoren de vrije doorstroom van het bloed in de bloedvaten (vooral in de hersenen en nieren). Daardoor kan een patiënt last kan krijgen van neurologische symptomen zoals hoofdpijn, verwardheid, moeilijk spreken, voorbijgaande verlamming, gevoelloosheid, insulten en een hoge bloeddruk (hypertensie). Ook kan er nierfunctieverlies optreden. Door de gebrekkige bloedcirculatie kunnen de rode bloedcellen beschadigd raken (= microangiopathische anemie) waardoor de rode bloedcellen beschadigd raken en er bloedarmoede optreedt.
Omdat er veel oorzaken bestaan voor een tekort aan bloedplaatjes, zijn de onderzoeken er op gericht andere oorzaken uit te sluiten. Bijna alle patiënten met TTP hebben een tekort aan het ADAMTS-13 enzym. Dit enzym verdwijnt uit het bloed omdat het eigen lichaam er antistoffen tegen aanmaakt. TTP is dan ook een auto-immuun ziekte.
Patiënten waarbij geen ADAMTS-13 enzym aanwezig is in het bloed, hebben met zekerheid TTP. Een bepaling van ADAMTS-13 kan binnen 1 á 2 werkdagen worden gedaan en maakt een duidelijke diagnose mogelijk. Eén van de laboratoria met snel diagnostiek is Sanquin (bloedbank) in Amsterdam.
De symptomen bij TTP vertonen gelijkenissen met die van het hemolytisch uremisch syndroom (HUS). HUS is echter een zeer plotseling optredende ernstige stoornis in het functioneren van de nieren, volgend op een darmontsteking met een E-coli bacterie, of op een luchtweginfectie. In tegenstelling tot bij TTP worden dan geen neurologische symptomen waargenomen.
Bij een tijdige diagnose kan deze levensbedreigende aandoening bij 85% van de patiënten met succes worden behandeld.
TTP is een levensbedreigende aandoening waarbij onmiddellijke behandeling dient plaats te vinden. Deze behandeling bestaat in de meeste gevallen uit:
Wanneer een patiënte TTP heeft doorgemaakt, is er een grote kans dat de ziekte in de zwangerschap weer terugkomt, met risico's voor de moeder en het kind. Het is van belang dit vooraf met de hematoloog en gynaecoloog te bespreken.
Artsen wachten op gezuiverd ADAMTS13. Indien dit bloedeiwit direct kan worden gegeven, dan is plasma wisseling misschien niet meer nodig.
![]() |
Wanneer een bloedvat beschadigd raakt en bloed buiten de bloedbaan treedt zal het lichaam zo snel mogelijk een stolsel vormen om het bloedverlies te beperken (zie figuur 1).
Daarom wordt bij een beschadiging een reeks reacties in gang gezet. Allereerst bewegen bloedplaatjes zich naar de plaats waar het bloedvat is beschadigd en hechten zich daar aan de kapotte vaatwand en aan elkaar (II). Hierdoor wordt een plaatjes-plug gevormd waardoor de bloeding wordt gestelpt. Dit stolsel is echter erg zwak en moet worden verstevigd. Tegelijkertijd komt weefselfactor vrij uit de beschadigde wand van het bloedvat. Weefselfactor activeert de bloedstolling door diverse niet-actieve stollingsfactoren in het bloed te activeren. Uiteindelijk wordt het eiwit protrombine omgezet in trombine. Trombine stimuleert de omzetting van fibrogeen tot fibrine. Dit vormt fibrinedraden en vormt zo een stevig netwerk rond de bloedplaatjes. Een stolsel is ontstaan en het bloeden is gestopt (III). Nadat de beschadiging is genezen, breekt het lichaam de stolsels weer af.
Trombose is een aandoening waarbij een stolsel wordt gevormd op een plaats waar dat niet hoort te gebeuren. Indien een stolsel zich bevindt in een ader (=vene), spreekt met van een veneuze trombose. Meestal is er sprake van een trombose in de ader van een been (trombosebeen) of arm (trombosearm). Indien er een stukje van het stolsel losschiet, wordt dat in de bloedbaan versleept en loopt dit vast in de longen. Dit heet een longembolie.
Indien een stolsel zich bevindt in een slagader spreekt men van arteriële trombose. Indien dit in een van de slagaders in de hersenen betreft leidt dit tot een herseninfarct, indien het optreedt in een van de kransslagaders van het hart, leidt dit tot een hartinfarct.
Bepaalde aandoeningen, erfelijke factoren of medicijnen, kunnen het bloedstollingsproces verstoren:
Essentiele trombocythemie en
Polycythemia VeraBuiten deze oorzaken, zijn er factoren die het risico op het ontstaan van een trombose vergroten:
|
De genmutaties bij erfelijke trombofilie zijn autosomaal dominant. Dit betekent dat één afwijkend gen op de chromosomen voldoende is om symptomen van de ziekte te ontwikkelen. De meeste patiënten zijn heterozygoot (zij bezitten één afwijkend en en één gezond gen - situatie A, B, C en E)). Homozygote defecten (twee afwijkende genen) zijn theoretisch mogelijk maar komen in de praktijk zeer zelden voor (situatie A, B en D) |
Genetische oorzaken van overmatige bloedstolling zijn meestal te wijten aan gen-mutaties (veranderingen van een gen) die voor een verhoogd trombine gehalte in het bloed zorgen of de stolling onvoldoende remmen:
Het zijn alle autosomaal-dominante aandoeningen (zie schema 1 - erfelijkheid).
Bloedstolsels kunnen zich vormen in/verplaatsen naar de slagaders of aders in de hersenen, hart, nieren, longen en ledematen. Daar kunnen zij de bloedstroom blokkeren, waardoor (soms levensbedreigbare) complicaties kunnen ontstaan:
Diepe veneuze trombose (DVT) is de vorming van een bloedstolsel (een "trombus") in de diep gelegen aderen (=venen) van het been. Het is een ernstige aandoening die kan leiden tot permanente schade aan het been (het zogenaamde post-trombotische syndroom), of – wanneer het stolsel los laat - een levensgevaarlijke longembolie.
De diepe aderen van het been zijn omringd door spiermassa’s die het zuurstofarme bloed naar de bloed en longen vervoeren. In de aderen bevinden zich kleppen die voorkomen dat het bloed tussen de hartslagen in, terugstroomt. Wanneer de bloedcirculatie vertraagt als gevolg van ziekte, letsel of inactiviteit, kan bloed zich ophopen en kan stolselvorming optreden.
Het bloedstolsel in een diepe ader kan afbreken en via de bloedbaan naar andere plaatsen van het lichaam reizen. We spreken in dat geval van een "embolus". Een embolus kan een slagader in de longen blokkeren. Door de gebrekkige bloedtoevoer naar longweefsel die dan optreedt, kan schade aan een deel van de long ontstaan.
De term veneuze trombotische embolie (VTE) wordt voor zowel diepe veneuze trombose (DVT) als voor een longembolie gebruikt.
Het post-trombotische syndroom treedt vaak op (in 60-70% van de gevallen) na een diepe veneuze trombose. De bloedverdunners lossen het bestaande stolsel niet op, maar voorkomen dat zich nieuwe stolsels vormen. Het stolsel heeft dan tussentijds de ader kunnen beschadigen. Dit leidt tot chronische pijn in het been, vermoeidheid, zwellingen - en in extreme gevallen - ernstige huidzweren.
De symptomen bij een DVT zijn:
De symptomen van een longembolie zijn niet specifiek voor dit ziektebeeld en komen ook bij andere long-hart aandoening voor:
www.hartenvaatgroep.nl (algemeen hart- en vaatziekten)
| Bijlage | Formaat |
|---|---|
| stolling.jpg | 121.22 KB |
Hemochromatose (synoniem: ijzerstapelingsziekte) is een ziekte waarbij ijzer wordt opgeslagen in vooral de lever, het hart of de alvleesklier. Te veel ijzer in de lever kan leiden tot een vergrote lever, leverfalen, leverkanker of levercirrose (=vorming van littekenweefsel in de lever). Ijzerstapeling in het hart kan leiden tot een onregelmatige hartslag, en hartfalen. In de alvleesklier kan de ijzerstapeling leiden tot diabetes.
Hemochromatose is één van de meest voorkomende erfelijke aandoeningen. Niet iedereen ondervindt echter klachten of vertoont symptomen van de ziekte. De ernst van hemochromatose varieert van persoon tot persoon en kan worden beïnvloed door bepaalde externe factoren. Alcoholgebruik kan de door de hemochromatose veroorzaakte schade aan de lever verergeren. Ook een hepatitis infectie kan de lever verder verzwakken.
Er zijn twee soorten hemochromatosis: primaire en secundaire.
Primaire hemochromatose kenmerkt zich door een afwijking in bepaalde genen (de zogenaamde HFE genen). Door deze defecte HFE genen, absorbeert het lichaam teveel ijzer uit de voeding. Als beide ouders "drager" zijn van het defecte gen HFE, dan hebben hun kinderen een kans van 25% om twee defecte HFE genen te erven. Wanneer door beide ouders een defect HFE gen aan het kind wordt doorgegeven, kan bij dit kind ijzerstapeling optreden. Wanneer slechts van één ouder een defect HFE gen wordt geërfd, spreken we van een hemochromatose "drager". Deze drager zal in het algemeen geen klachten ervaren.
Hoewel dit zeer zelden voorkomt, kunnen ook andere abnormale genen hemochromatose veroorzaken.
Secundaire hemochromatose is meestal het gevolg van een andere aandoening of bepaalde externe factoren, zoals onder andere:
Thalassemie en
sikkelcelziekte
MDS)
anemieVeel mensen hebben nauwelijks klachten wanneer de ziekte wordt vastgesteld. Symptomen treden vaak op vanaf een leeftijd van 30 - 40 jaar. Gewrichtspijn is de meest voorkomende klacht. Andere vaak voorkomende symptomen zijn vermoeidheid, gebrek aan energie, buikpijn, verlies van libido en hartproblemen. Als de ziekte niet tijdig wordt ontdekt en behandeld zal het ijzer zich ophopen in lichaamsweefsels, wat kan leiden tot:
De vooruitzichten voor hemochromatose patiënten zijn grotendeels afhankelijk van de schade die al aan organen is toegebracht op het moment van de diagnose. Vroege diagnose en behandeling zijn dan ook van belang. Een behandeling kan complicaties voorkomen en klachten beperken. Patiënten die vroeg gediagnosticeerd en behandeld worden, hebben een normale levensverwachting. Indien hemochromatose onbehandeld blijft, kan dit leiden tot ernstige orgaanschade en zelfs de dood.
De behandeling van primaire hemochromatose bestaat uit aderlatingen (" flebotomie" of het afnemen van hoeveelheden bloed), die als er tijdig mee wordt begonnen, ernstige weefselschade kunnen voorkomen. Secundaire hemochromatose wordt met medicijnen behandeld.