Geneesmiddelen beleid & nieuws


Intramurale geneesmiddelen

Ontwikkelingen

Add-ons

Sinds 1 januari 2006 krijgen ziekenhuizen 80% vergoed van de netto inkoopprijs van de intramurale geneesmiddelen. In 2008 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit de minister geadviseerd om de vergoeding te verhogen naar 100%. In maart 2011 maakte minister Schippers van VWS haar visie op de prestatiebeloning ziekenhuizen bekend in de kamerbrief "Zorg die loont". Daarin wordt uiteengezet hoe de minister de bekostiging van dure geneesmiddelen per januari 2012 wil organiseren.

De minister van VWS heeft op 14 april 2011 tijdens de plenaire vergadering van de Tweede Kamer nogmaals aangegeven dat voortzetting van de huidige beleidsregel dure geneesmiddelen in de praktijk vanaf 2012 niet meer mogelijk is (dit in reactie op een motie met die strekking). Vanaf 2012 hebben ziekenhuizen als gevolg van de invoering van de prestatiebekostiging DOT/DBC geen budget meer, waardoor er een gat ontstaat van 20% als de beleidsregel blijft bestaan. Continuering van de beleidsregel dure geneesmiddelen kan dus niet.

Per 1 januari 2012 wordt voor (de betreffende indicaties van) de dure en weesgeneesmiddelen op de stofnamenlijsten een add-on vastgesteld. De beleidsregels (zie hieronder) vervallen per die datum.

Vanaf 2012 zullen de dure geneesmiddelen die nu op de beleidsregels staan, voorwaardelijk worden toegelaten tot het verzekerde pakket, voor een periode van maximaal vier jaar. In die periode moeten gegevens worden verzameld over doelmatigheid, kosten-effectiviteit en transparantie via: 

  • het beschikbaar komen van actuele richtlijnen voor de kwalitatieve en doelmatige inzet van dure geneesmiddelen;
  • het op transparante wijze inzichtelijk maken door behandelaren/ziekenhuizen van de mate van richtlijnconform handelen (dan wel het gemotiveerd afwijken daarvan);

De minister van VWS onderzoekt nog of het mogelijk is behandelaren/ziekenhuizen via regelgeving te verplichten deel te nemen aan registraties.

Voor off-label indicaties van de naar het ziekenhuisbudget te overhevelen TNF-alfaremmers (die onder het GVS vergoedbaar waren), wordt eveneens per 1 januari 2012 een add-on vastgesteld. Voor de hematologie zijn in dit kader van belang: Adalimumab (Humira ®); Etanercept (Enbrel ®).

Ziekenhuisverplaatste zorg

Ziekenhuisverplaatste zorg zijn de hulp- en geneesmiddelen die in de thuissituatie worden verstrekt onder de verantwoordelijkheid van de medisch specialist. Dit is dus onderdeel van de medisch specialistische behandeling (die thuis plaats vindt) en dient uit het ziekenhuisbudget te worden bekostigd.

VWS, NFU, NVZ en ZN (Zorgverzekeraars Nederland) hebben een kader geschets voor de te maken afspraken:

  • Voor zorg in het A-segment (vaste prijzen) kan de Lokale Productiegebonden Toeslag (LPT) worden ingezet, voor zover deze zorg niet uit de reguliere Functiegericht Budget-parameters wordt gedekt;
  • Voor zorg in het B-segment (vrije prijzen - marktwerking)  kunnen verzekeraars en ziekenhuizen over een kostendekkend tarief onderhandelen;
  • In die specifieke gevallen waarin het maximum van de LPT (5%) is bereikt, kunnen partijen zich wenden tot de Nederlandse Zorgautoriteit;
  • De ziekenhuisverplaatste zorg dient goed te worden geregistreerd en zo spoedig mogelijk in de DBC-systematiek te worden opgenomen.  

Knelpunten binnen de hematologie zouden bijvoorbeeld pegfilgrastim en epoetine alfa kunnen zijn.

Overige actuele onderwerpen:

Dure en weesgeneesmiddelen

1. Stofnamelijsten

De beleidsregels BR-CU-2017 en BR-CU-2018 (de zgn "stofnamenlijsten") zijn per 1 januari 2012 vervallen en vervangen door Beleidsregel Prestaties en tarieven medisch specialistische zorg  en Transitie bekostigingsstructuur medisch specialistische zorg

  

Extramurale geneesmiddelen 

Ontwikkelingen

Biologicals (en preferentiebeleid)

Ook wat betreft de extramurale biologische geneesmiddelen (biologicals) zijn er veranderingen op komst. Een aantal zorgverzekeraars heeft in 2010 aangegeven hun preferentiebeleid te willen uitbreiden met biosimilars: patentvrije (goedkopere) varianten van bestaande biologicals. In eerste instantie gaat het om biosimilars van erytropoëtine, G-CSF (filgrastim) en groeihormonen (somatropine). Vanwege de complexe structuur van het eiwitmolecuul, is een biosimilar – hoewel gelijkwaardig in termen van kwaliteit, veiligheid en effectiviteit - niet identiek aan het innovator (merk)geneesmiddel. Substitutie van biologische geneesmiddelen verschilt dan ook principieel van substitutie van spécialités door generieke medicatie (waarvan de werkzame stof een chemische substantie is). Zo kan immunogeniteit een rol spelen.

Op het eerste conceptadvies van CVZ naar aanleiding van de plannen van de zorgverzekeraars tot uitbreiding van het preferentiebeleid, hebben HOVON en NVvH gezamenlijk gereageerd. In het herziene concept dat in de zomer van 2011 op de agenda van de CVZ stond, lijkt men aan te sturen op een situatie waarin het overzetten van bestaande gebruikers op een biosimilar alleen in overleg met de behandelend arts mag plaatsvinden, en alleen voor de indicatie en het werkingsgebied waarvoor de biosimilar is geregistreerd. Voor nieuwe gebruikers ziet men op dit moment geen reden om terughoudend te zijn met een preferentiebeleid voor biologicals. De voorschrijfvrijheid van de arts lijkt echter niet in het geding. Door het recept te voorzien van de aantekening “MN” (medische noodzaak) ontstaat nog altijd 1) voor de apotheker de verplichting om het specifieke (merk)geneesmiddel te leveren en 2) voor de zorgverzekeraar de plicht om dit aan de verzekerde te vergoeden.

Alle hierboven genoemde biologicals (somatropine, epoëtine, filgrastim) wordt alleen onder speciale voorwaarden vergoed vanuit de basisverzekering (zie hieronder). Een biological als epoëtine alfa wordt vaak verstrekt in de thuissituatie onder verantwoordelijkheid van de medisch specialist. Zie voor de geldende regelingen de ontwikkelingen t.a.v. ziekenhuisverplaatste (zorg hierboven).

De komende jaren zal ook van andere biologicals (o.a. rituximab) het patent verlopen. De eerste aanvragen voor een handelsvergunning voor biosimilars van dit middel zijn al door de EMA ontvangen.  

Bijlage 2 geneesmiddelen (artsenverklaring)

De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het verzekerde pakket en bepaalt welke geregistreerde geneesmiddelen worden vergoed in de basisverzekering, en onder welke voorwaarden. Van sommige middelen in Bijlage 1 heeft de Minister aanvullend bepaald dat ze alleen onder voorwaarden vergoed mogen worden. Deze geneesmiddelen heeft de Minister opgenomen in Bijlage 2.

Voor deze geneesmiddelen gelden voorwaarden (de voorwaarden kunt u lezen in Bijlage 2 bij de Regeling zorgverzekering (m.i.v. 1 november 2011) (of via www.wetten.nl)

 

BijlageFormaat
BR-CU-2017_2011.pdf103.91 KB
BR-CU-2017stofnamenlijst.pdf55.54 KB
BR-CU-2018.pdf92.86 KB
BR-CU-2018_stofnamenlijst.pdf45.86 KB
kamerbrief-zorgdieloont_maart2011.pdf150.54 KB
bijlage2_maart2011.pdf88.47 KB
kst-29248-209.pdf66.42 KB
kamerbrief_GMT_VDG-3063577.pdf188.47 KB
Bijlage2_Rzv.doc91.5 KB