You are here

Hemofilie


Wat is hemofilie?

Hemofilie of “bloederziekte” is een erfelijke aandoening waarbij bloedingen in spieren en gewrichten optreden door een tekort aan stollingsfactoren. Er bestaan twee typen hemofilie: hemofilie A en hemofilie B.

Hemofilie A wordt veroorzaakt door een tekort (= deficiëntie) aan factor VIII , hemofilie B door een tekort aan factor IX. Hemofilie A komt 5 maal meer voor dan hemofilie B. De ernst van hemofilie kan variëren van ernstig, matige ernstig en mild. Dit wordt bepaald door de hoeveelheid factor VIII of IX die in het bloed aanwezig is.

Hemofilie is een geslachtsgebonden aandoening die van ouder op kind wordt doorgegeven. Omdat de factor VIII en IX genen op het X-chromosoom zijn gelegen, treft de ziekte vrijwel uitsluitend mannen. Vrouwen zijn draagster van de ziekte, maar kunnen ook een verlaagd stollingsfactor gehalte hebben met bloedingsproblemen (zie schema 1 - erfelijkheid). In Nederland zijn ongeveer 1600 hemofilie patiënten.

Lees meer over het ga naarproces van de bloedstolling.

Overige stollingsfactor-deficiënties 

In tegenstelling tot hemofilie A en B zijn de overige aandoeningen waarbij een stollingsfactor ontbreekt niet-geslachtsgebonden maar autosomaal (zie onderstaand overzicht). Deze stollingsfactor tekorten zijn zeer zeldzaam.

 

Stollingsfactor deficiënties

Ontbrekende of defecte stollingsfactor

 Erfelijkheid

Factor I (fibrogeen)-deficiëntie is de term die wordt gebruikt voor verschillende zeldzame stollingsaandoeningen: afibrinogenemie (een volledig ontbreken van fibrinogeen); hypofibrinogenemie (lage niveaus van fibrinogeen) en dysfibrinogenemie (slecht functionerend fibrinogeen)

Een zeer zeldzame stollingsziekte. Afibrinogenemie en hypofibrinogenemie zijn autosomaal recessief; dysfibrinogenemie is autosomaal dominant.  Het gen ligt op chromosoom 4.

Factor II (protrombine)-deficiëntie.

Een zeer zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte

Factor V (proaccelerine)-deficiëntie

Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 1.

Factor VII  (proconvertin)-deficiëntie. Factor VII-deficiëntie kan ook worden veroorzaakt door een leverziekte of vitamine K gebrek.

Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 13.

Factor X deficiëntie

Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 13.

Factor XI (plasma tromboplastinetijd antecedent)-deficiëntie staat ook bekend als hemofilie C. Het verschilt van hemofilie A of B in dat er zich geen bloedingen in gewrichten en spieren voordoen. 

Na van Willebrand ziekte, de meest voorkomende autosomaal dominante stollingsstoornis. Factor XI deficiëntie komt bij alle rassen voor, maar vooral voor bij joden van Oost-Europese afkomst. Het gen ligt op chromosoom 4. Werd vroeger Hemofilie C genoemd.

Factor XIII (fibrine stabiliserende factor)-deficiëntie

Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte.

naar boven naar boven

Schema 1 - Erfelijkheid

Geslachtsgebonden overerving

De chromosomen die iemands geslacht bepalen zijn het X- en Y-chromosoom. Mannen hebben één X- en één Y-chromosoom; vrouwen hebben twee X-chromosomen. De genen voor hemofilie A en B bevinden zich op het X-chromosoom. Omdat mannen slechts één X-chromosoom bezitten, hebben zij hemofilie wanneer zij één gen daarvoor erven (situatie A, B en C). Omdat vrouwen twee X-chromosomen bezitten, zal het X-chromosoom waarop zich níet het (afwijkende) hemofilie gen bevindt, de functie van het andere X-chromosoom overnemen en zo zal meestal voldoende functionerende stollingsfactor worden geproduceerd, maar kunnen ook een verlaagde hoeveelheid stollingsfactor in het bloed hebben. Vrouwen die één defect hemofilie-gen bezitten, heten draagsters en zij kunnen de ziekte doorgeven aan hun kinderen (situatie A en B).

In het uiterst zeldzame geval dat de vader hemofilie heeft en de moeder drager is, kan ook de dochter getroffen worden door een ernstige vorm van hemofilie (situatie B).

Meestal komt hemofilie al in de familie voor, maar in ongeveer 30% van de gevallen is er geen patiënt in de familie bekend. Er is dan meestal sprake van een spontane verandering (mutatie) in het factor VIII of IX gen van de moeder opgetreden.

Symptomen

De symptomen van hemofilie A en B zijn afhankelijk van de ernst van de aandoeningen en voor beide typen identiek:

  • Grote blauwe plekken
  • Bloedingen in spieren en gewrichten, vooral de knieën, elleboog, en enkels
  • Spontane bloedingen (zonder duidelijke oorzaak)
  • Langdurig nabloeden bij verwondingen, tandheelkundige ingrepen of operaties
  • Ernstige interne bloedingen in vitale organen na een ernstig ongeval
  • Hersenbloedingen

naar boven naar boven

Diagnose

De diagnose wordt als volgt gesteld:

  • Anamnese. Hierbij wordt gelet op bloedingen, zowel direct na de geboorte, gewrichts en spierbloedingen en bloedingen na operaties (amandeloperatie) en kiesextracties. Ook wordt gelet op stollingsstoornissen in de familie.
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek van een bloedmonster. Hemofilie A wordt gediagnosticeerd door het testen van het niveau van factor VIII activiteit in het bloed. Hemofilie B wordt gediagnosticeerd door het meten van het niveau van de factor IX-activiteit
  • Prenatale diagnose. Als de moeder draagster is, kan het ongeboren kind (zwangerschap 9 - 11 weken) worden onderzocht via een vlokkentest (= chorion villus test (CVS)) of door bij de foetus wat bloed af te nemen in een later stadium van de zwangerschap (zwangerschap van 18 weken of meer). Over het algemeen wordt dit alleen verricht bij ernstige hemofilie. Tegenwoordig kan ook een geslachtsbepaling worden verricht vroeg in de zwangerschap door bloed af te nemen bij moeder (Y-PCR). Hiermee is zeer nauwkeurig het geslacht van het kindje te bepalen en kunnen in geval van een meisje, verdere onderzoeken achterwege blijven.

naar boven naar boven

Vooruitzichten

De ernst van hemofilie wordt bepaald door de stollingsactiviteit van het factor VIII of factor IX in het bloed. Er worden drie niveaus onderscheiden: licht, matig en ernstig (zie tabel 1).  

Met een tijdige en goede behandeling en verzorging, hebben hemofiliepatiënten een normale levensverwachting.Patiënten met ernstige hemofilie hebben het meeste last van de ziekte. Zij krijgen vaak spontaan bloedingen in de spieren en/of gewrichten. Dit leidt uiteindelijk tot ernstige gewrichtsschade en invaliditeit. De meeste patiënten met ernstige hemofilie gebruiken ter voorkoming van bloedingen stollingsfactoren (profylaxe). Hiervoor injecteren de ouders of de patiënten zelf 2 tot 3 keer per week stollingsfactoren in een bloedvat in de arm.

naar boven naar boven

Tabel 1 - Hemofilie niveau

Niveau

Stollingsactiviteit van het bloed

 Symptomen

normaal

 50 - 150% 

licht

 5 - 40%

Bloedingen na chirurgische ingrepen of ernstige ongevallen

matig

 1 - 5%

Bloedingen meestal na een verwonding of spontaan; hooguit één maal per maand

ernstig

 minder dan 1%

Spontane bloedingen in spieren en gewrichten; vaak meerdere bloedingen per week

Behandeling

Hemofilie wordt behandeld door de ontbrekende stollingsfactor in het bloed te injecteren. De behandeling van hemofilie vindt in Nederland plaats in een van de dertien hemofilie behandelcentra. Ook draagsters met een laag stollingsfactor gehalte (minder dan 50%), of zwangere draagsters dienen in een hemofiliebehandelcentrum te worden behandeld en geadviseerd. Aan de hemofiliebehandelcentra zijn naast een arts ook gespecialiseerde verpleegkundigen, fysiotherapeuten en andere zorgverleners met kennis van hemofilie verbonden (zie tabel 2 met de lijst voor hemofilie behandelcentra).

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

Er zijn veel ontwikkelingen in de hemofiliezorg te verwachten in de komende jaren. Inmiddels zijn stollingsfactoren ontwikkeld die langer in het bloed circuleren en daardoor minder vaak hoeven te worden toegediend. Zo kunnen patiënten in plaats van drie keer per week, één keer in de week prikken. Hier worden nu de eerste onderzoeken mee gedaan. Ook is er veel laboratoriumonderzoek gaande naar gentherapie. Hierbij wordt een nieuw gen geïntroduceerd in het lichaam en worden zo stollingsfactoren aangemaakt. In dierproeven blijken deze technieken goed te werken, maar het zal nog lange tijd duren voordat het in mens toepasbaar is.

naar boven naar boven

 

Tabel 2 - Hemofilie behandelcentra
Plaats
Ziekenhuis
Doelgroep
Amsterdam
Emma kinderziekenhuis AMC       &      Academisch Medisch Centrum
Kinderen en volwassenen
Den Haag
HagaZiekenhuis, locatie Leyenburg
Volwassenen
Eindhoven
Catharina-ziekenhuis (kinderen)     &    Máxima Medisch Centrum (volwassenen)
Kinderen en volwassenen
Groningen
Beatrix kinderkliniek    &     Universitair Medisch Centrum Groningen
Kinderen en volwassenen
Leiden
Leids Universitair Medisch Centrum
Kinderen en volwassenen
Maastricht
Academisch Ziekenhuis Maastricht
Kinderen en volwassenen
Nijmegen
Radboudumc
Kinderen en volwassenen
Rotterdam
Erasmus MC-Sophia (kinderen)      &     Erasmus MC centrum lokatie (volwassenen)
Kinderen en volwassenen
Utrecht
Universitair Medisch Centrum Utrecht, Van Creveldkliniek-Hematologie
Kinderen en volwassenen

Patiëntenorganisatie

 

 

www.nvhp.nl (Nederlandse vereniging voor hemofiliepatiënten). De patiëntenorganisatie heeft uitgebreide brochures beschikbaar over de ziekte, erfelijkheid en de behandeling.

naar boven naar boven