- Snel naar een aandoening...
- Amyloidose
- Aplastische anemie
- Auto-immuun hemolytische anemie
- Elliptocytose en sferocytose
- Essentiele trombocythemie
- Enzymdefecten
- Glanzmann (ziekte van)
- Hemochromatose
- Hemofilie
- Hodgkin lymfoom
- Idiopathische trombocytopenische purpura
- Leukemie
- Mastocytose (mestcelziekte)
- MGUS
- Multipel myeloom (ziekte van Kahler)
- Myelodysplastisch syndroom
- Myelofibrose
- Myeloproliferatieve aandoeningen
- Non-Hodgkin lymfomen
- Paroxismale nachtelijke hemoglobinurie
- Polycythemia vera
- Sikkelcelziekte
- Thalassemie
- Trombose en embolie
- Trombotische trombocytopenische purpura
- Von Willebrand (ziekte van)
- Waldenstrom, ziekte van
Prolymfocyten Leukemie
- Wat is prolymfocyten leukemie?
- Symptomen
- Diagnose
- Vooruitzichten
- Behandeling
- Nieuwe ontwikkelingen
- Patiëntenorganisatie
Wat is prolymfocyten leukemie?
Prolymfocyten leukemie (PLL) is een zeldzame aandoening waarbij een woekering van prolymfocyten optreedt. Normaal gesproken worden prolymfocyten alleen in het beenmerg gevonden, waar zij uitrijpen tot lymfocyten om vervolgens in de bloedbaan terecht te komen. Bij PLL vormen zich echter grote aantallen prolymfocyten in het beenmerg. Deze prolymfocyten begeven zich al in een vroeg stadium naar de bloedbaan. Door de grote aantallen abnormale prolymfocyten in het beenmerg wordt de vorming van álle typen normale bloedcellen geremd en ontstaan tekorten aan deze bloedcellen.
De aandoening komt vooral bij patiënten rond de 70 jaar voor.
Net als
CLL wordt PLL volgens de indeling van de World health Organisation (WHO) tot de lymfomen gerekend. Er worden twee soorten prolymfocyten leukemie onderscheiden, gebaseerd op het type lymfocyt dat is betrokken: B-cel en T-cel prolymofcyten leukemie. Deze twee subtypen hebben zeer verschillende klinische, laboratorium- en pathologische kenmerken. Hieronder zijn in
tabel 1 de verschillen tussen (B-)CLL, B-PLL en T-PLL inzichtelijk gemaakt.
B-PLL ontwikkelt zich soms na CLL. Wanneer dit gebeurt wordt dit een transformatie van CLL genoemd.
|
(B-)CLL |
B-PLL |
T-PLL (vroeger T-CLL genoemd) |
|
|
Aantal patiënten* |
600 – 700 |
4 -8 |
10 – 15 |
|
Getroffen gebieden |
Perifeer bloed, beenmerg, lymfeklieren, milt en lever |
Perifeer bloed, beenmerg en milt |
Perifeer bloed, beenmerg, lymfeklieren, milt, lever en de huid (tot 30%) |
|
Symptomen |
De symptomen varieren van patiënt tot patiënt. Mogelijk zijn: vermoeidheid, auto-immuun hemolytische anemie, infecties, vergrote milt of lever, gezwollen lymfeklieren. |
Vergrote milt. Patiënten met B-PLL laten vaak een snelle stijging van het aantal lymfocyten zien. In de helft van de gevallen is er sprake van anemie en trombocytopenie. |
Een vergrote milt en lever, gezwollen lymfeklieren en een snelle stijging van het aantal lymfocyten in het bloed. Vaak komen anemie en trombocytopenie voor. Bij 20% van de patiënten is de huid aangedaan. |
|
Diagnose |
Gebaseerd op het percentage prolymfocyten in een bloeduitstrijkje: tot 10% spreken we van B-CLL; bij 10 tot 55% van B-CLL/PLL. Via immunologische tests is een sterke groei van de B-cellijn aangetoond. |
Het percentage prolymfocyten in een bloeduitstrijkje is meer dan 55% tot soms wel meer dan 90%. Via immunologische tests is een sterke groei van de B-cellijn aangetoond. |
In het bloeduitstrijkje overheersen prolymfocyten. Via immunologische tests is een sterke groei van de T-cellijn aangetoond |
|
Vooruitzichten |
De vooruitzichten bij CLL zijn afhankelijk van een aantal factoren (lees daarover |
De vooruitzichten voor patiënten met B-PLL, zijn veel slechter dan bij B-CLL en worden niet aantoonbaar beïnvloed door de mutatiestatus of chromosoomafwijkingen (gemiddelde overleving 30 – 50 maanden). |
De vooruitzichten bij T-PLL zijn slechter dan bij B-CLL en B-PLL (gemiddelde overleving minder dan een jaar). Zeer zelden is er sprake van een veel milder beloop dat meer lijkt op een B-CLL. |
|
Behandeling |
Geneesmiddelen: Chlorambucil, Fludarabine, Cyclofosfamide, Alemtuzumab, Rituximab. Bij patiënten van 65 jaar of jonger wordt soms overgegaan tot een allogene stamceltransplantatie |
Geneesmiddelen: CHOP, Fludarabine, Cladribine, Rituximab, Alemtuzumab. Verwijdering of bestraling van de milt (leukaferese alleen in acute situatie). |
Geneesmiddelen: Alemtuzumab, Cladribine. Verwijdering of bestraling van de milt (leukaferese alleen in acute situatie). In studieverband wordt het effect van autologe en allogene SCT onderzocht |
| * jaarlijks in Nederland | |||
Symptomen
Een patiënt met PLL heeft meestal een sterk vergrote milt, omdat de vele prolymfocyten zich daar verzamelen.
In het bloed en beenmerg worden grote aantallen (pro)lymfocyten aangetroffen. Er wordt echter veelvuldig een tekort aan rode bloedcellen (anemie) en bloedplaatjes (trombocytopenie) waargenomen.
Andere symptomen - die echter ook bij vele andere bloedkankers voorkomen - zijn vermoeidheid en gewichtsverlies.
Diagnose
- Anamnese
- Lichamelijk onderzoek waarbij specifiek wordt gelet op een vergrote milt
- Laboratoriumonderzoek naar het aantal van alle typen bloedcellen (= compleet bloedbeeld) en beoordeling van een uitstrijkje van een druppeltje bloed onder de microscoop op de aanwezigheid van karakteristieke PLL cellen
- Beenmergonderzoek - Omdat het voor de te kiezen behandeling van belang is vast te stellen om welk type lymfocyt het gaat worden immunologische tests gedaan (immunofenotypering) en wordt onderzoek verricht naar eventuele afwijkingen in de chromosomen (cytogenetica). Ook wordt via beenmergonderzoek beoordeeld in welke mate de aanmaak van normale bloedcellen is verstoord
- Wanneer de diagnose onzeker is, wordt soms een lymfklierbiopsie uitgevoerd
- Een echo of CT scan om de omvang van de milt vast te stellen
Prognose
In het algemeen is de prognose van de PLL somber. Mogelijk bestaat er een subgroep van de T-PLL met een wat betere prognose. Beide vormen van PLL zijn echter agressiever dan CLL en reageren ook vaak minder goed op de behandeling.
Behandeling
PLL is een progressieve aandoening die moeilijk te behandelen is. B-PLL en T-PLL worden op verschillende manieren behandeld.
Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de behandelingen die hieronder zijn beschreven.
B-PLL: CHOP, Fludarabine, Cladribine, Rituximab, Alemtuzumab, splenectomie/bestraling van de milt (leukaferese alleen in acute situatie)
T-PLL: Alemtuzumab, Cladribine, splenectomie/bestraling van de milt (leukaferese alleen in acute situatie). In studieverband wordt het effect van autologe en allogene SCT onderzocht
Nieuwe ontwikkelingen
Patiëntenorganisatie
www.leukemie.nfk.nl (lees meer over de Stichting Contactgroep Leukemie in de folder)

