Stamceltransplantaties


Figuur 1- hematopoiese
Hematopoiese

Wat zijn stamcellen?

Pluripotente stamcellen zijn primitieve, onrijpe bloedcellen die leven in het beenmerg. Beenmerg is het zachte spons-achtige materiaal binnenin de botten. De bloedvormende stamcellen splitsen zich om nog meer stamcellen te vormen, of ze ontwikkelen zich tot één van de drie soorten bloedcellen: de witte bloedcellen die infecties tegengaan, de rode bloedcellen die zuurstof transporteren en de bloedplaatjes die helpen het bloed te stollen (zie figuur 1).

De meeste stamcellen worden gevonden in het beenmerg, maar ook in de bloedbaan kunnen soms stamcellen gevonden worden: dit zijn de zogenaamde perifere bloed stamcellen.

Stamcellen verschillen van andere cellen in het lichaam omdat zij zich nog kunnen delen. Zo kunnen zij cellen produceren die zich op hun beurt weer kunnen ontwikkelen tot cellen met één specifieke functie.  Stamcellen zorgen er op die manier voor dat díe cellen worden aangemaakt die het lichaam op dat moment nodig heeft voor de reparatie of vervanging van beschadigde of gebrekkige cellen.

naar boven naar boven

Wat is het doel van een stamceltransplantatie (SCT)?

Een stamceltransplantatie is een ondersteunende (=adjuvante) behandeling die erop is gericht om stamcellen die door een hoge dosis chemotherapie en/of radiotherapie zijn vernietigd, te vervangen door gezonde exemplaren. Stamceltransplantaties worden toegepast bij een groot aantal hematologische aandoeningen (zie ga naarindicaties).

Een normale stamcel zal er voor zorgen dat er zoveel cellen worden aangemaakt als het lichaam nodig heeft. Bij een aantal (hematologische) aandoeningen is dit evenwicht verstoord en ontstaan er meer cellen dan er afsterven. Chemotherapie en radiotherapie richten zich op deze snel delende kankercellen en vernietigen ze. Omdat ook de stamcellen in het beenmerg zich snel vermenigvuldigen, raken deze door de chemotherapie of radiotherapie ernstig beschadigd.  Zonder gezond beenmerg is een patiënt niet meer in staat de bloedcellen aan te maken die nodig zijn voor het vervoer van zuurstof, bestrijding van infecties en het voorkomen van bloedingen.

Door een stamceltransplantatie kunnen de stamcellen die zijn vernietigd door chemo- of radiotherapie, worden vervangen door goed functionerende stamcellen. De gezonde, getransplanteerde stamcellen kunnen het beenmerg herstellen en ervoor zorgen dat het beenmerg het vermogen terugkrijgt om bloedcellen te produceren. Zo maakt een stamceltransplantatie het dus mogelijk om een hoge dosis chemotherapie of radiotherapie toe te dienen die nodig is voor de behandeling van een aantal ernstige aandoeningen.

Een potentieel voordeel van de zogenaamde ga naarallogene stamceltransplantaties (zie hierna) is het ga naargraft-versus-tumor effect,  waarbij de afweercellen van de donor de tumorcellen bij de patiënt aanvallen en zo helpen bij het opruimen van de resterende kankercellen.

naar boven naar boven

Wat is het verschil tussen perifeer bloed en beenmerg SCT?

De meeste stamcellen leven in het beenmerg. Door toediening van een combinatie van chemotherapie en groeistimulerende middelen kan het aantal stamcellen echter zodanig groeien dat zij zich vanuit het beenmerg naar de bloedbaan (het perifere bloed) gaan verplaatsen. Deze perifere bloed stamcellen kunnen vervolgens uit het bloed worden gefilterd, verwerkt en opgeslagen tot de geplande datum van transplantatie. Meestal wordt gekozen voor deze perifere bloed stamceltransplantatie (=PBSCT), omdat dit een veel minder belastende ingreep is voor de patiënt of de stamceldonor dan een beenmerg stamceltransplantatie.

Alleen wanneer het aantal stamcellen in de bloedbaan onvoldoende is wordt soms gekozen voor een beenmerg transplantatie (=BMT). De stamcellen worden dan "geoogst" via een chirurgische procedure onder algehele narcose. Via een naald wordt beenmergvloeistof opgezogen uit het beenmerg van het bekken. Deze procedure duurt ongeveer 1 à 2 uur.

naar boven naar boven

Figuur 2 - Traject SCT

Figuur 2- Traject SCT

Wat is het verschil tussen autologe en allogene SCT?

Stamceltransplantaties zijn procedures die er op gericht zijn om de stamcellen te vervangen die zijn vernietigd door de behandeling met een hoge dosis chemotherapie en/of bestralingstherapie. Er zijn twee soorten stamcel transplantaties:

Autologe transplantaties

Patiënten ontvangen hun eigen stamcellen terug. Deze procedure heeft als doel om het toedienen van zeer hoge doseringen chemotherapie - die de kankercellen moeten vernietigen - mogelijk te maken. Omdat deze hoge dosis chemotherapie niet alleen invloed heeft op de kankercellen maar ook op sommige gezonde cellen (vooral snelgroeiende gezonde cellen in het beenmerg en slijmvliezen), worden vooraf stamcellen verzameld om de door de chemotherapie vernietigde stamcellen te kunnen vervangen.

Ondanks het feit dat de patiënt met chemotherapie in remissie wordt gebracht, kunnen de stamcellen die zijn afgenomen toch nog kwaadaardige cellen bevatten. Door de stamcellen te zuiveren ("purgeren") worden deze kwaadaardige cellen uit het transplantaat verwijderd.

Allogene transplantaties

Patiënten ontvangen stamcellen van een donor. Bij allogene stamceltransplantaties speelt het immuunsysteem een belangrijke rol. Allogene (donor) cellen zijn lichaamsvreemd en kunnen afweerreacties veroorzaken (graft-versus-host-disease). Omgekeerd kunnen de allogene cellen ook de tumorcellen van de ontvanger aanvallen en zo een belangrijke therapeutische rol spelen in het opruimen van kankercellen (het zogenaamde graft-versus-tumor effect (zie hieronder)).

naar boven naar boven

Wat is een non-myeloablatieve allogene SCT?

Een non-myeloablatieve stamceltransplantatie (of RIST voor "Reduced Intensity Stemcell Transplantation") is een stamceltransplantatie waarbij het beenmerg niet volledig vernietigd wordt (non = niet; myelo = beenmerg; ablatief= dodend).

Bij een non-myeloablatieve transplantatie worden lagere en dus minder toxische (= giftige) doses chemotherapie en radiotherapie gebruikt. Dit type stamceltransplantatie kan dus een optie zijn voor sommige oudere patiënten of voor jongere patiënten met bepaalde gezondheidsproblemen waardoor zij de myeloablatieve allogene transplantatie niet kunnen verdragen. Ook kan een non-myeloablatieve allogene SCT worden toegepast bij niet-oncologische aandoeningen als sikkelcelziekte.

Door de non-myeloablatieve behandeling is de eigen afweer tijdelijk uitgeschakeld waardoor de donor stamcellen de kans krijgen zich in het beenmerg te nestelen. De patiënt bezit op dat moment zowel eigen als donor stamcellen  (= chimerisme). Na verloop van tijd nemen de donorcellen de bloedaanmaak geheel over. Om dit samengaan van stamcellen mogelijk te maken (én om een acute GVHD te voorkomen) worden afweeronderdrukkende medicijnen gegeven.

Een nadeel van een non-myeloablatieve SCT is dat het langer duurt voor het gunstige graft-versus-tumor effect (zie hieronder) optreedt. Nadeel van élke allogene SCT is dat er een kans bestaat op het optreden van het ga naarGraft-Versus-Host disease. Dit vanwege de aanwezigheid in het donormateriaal van de T-lymfocyten die verantwoordelijk zijn voor deze afstotingsreacties. T-lymfocyten zijn echter wél nodig. Zonder T-lymfocyten bestaat er een groot risico bestaat op afstoting van het transplantaat door de ontvanger. De optimale hoeveelheid T-lymfocyten in het donormateriaal is nog onderwerp van studie.

naar boven naar boven

Welke trajecten doorlopen patiënt en donor?

In figuur 2 is schematische weergegeven welke traject de patiënt en de (potentiele) donor doorlopen bij een indicatie voor een stamceltransplantatie.

mobilisatiefase patiënt (autologe SCT) - Als het beenmerg van de patiënt zich herstelt van een normaal (laag) gedoseerde chemotherapie, komen kortdurend stamcellen van het beenmerg in het bloed. Het aantal stamcellen dat in het bloed terechtkomt kan worden verhoogd,door na de chemotherapie een stof te geven die "Granulocyte-Colony-Stimulating Factor" (afgekort G-CSF) genoemd wordt. Deze stof wordt via een onderhuidse injectie toegediend. De stof komt normaal gesproken in kleine hoeveelheden in het lichaam voor en stimuleert de aanmaak en rijping van bloedstamcellen, met name van de voorlopercellen waaruit de witte bloedcellen ontstaan. De stamcellen worden gemobiliseerd (vandaar de naam "mobilisatiefase") en verplaatsen zich van het beenmerg naar het perifere bloed.

HLA-typering donor (allogene SCT) - De cellen van een potentiële donoren worden getest op compatibiliteit, dat wil zeggen dat wordt onderzocht of bepaalde eigenschappen van de witte bloedcellen van de donor voldoende overeenkomen met die van de patiënt (zie kader 1). In een allogene stamceltransplantatie is de donor vaak een familielid: een broer of zus die genetisch gezien de patiënt zo dicht mogelijk benadert. Wanneer dit familielid geschikt is om als donor te fungeren, spreken we van een sibling donor. Voor slechts ongeveer 1 op 3 patiënten wordt uiteindelijk een donor binnen de familie gevonden. De donor behoeft echter niet altijd familie (verwant) te zijn aan de patiënt. Als er een genetische match is, kan ook een vrijwillige niet verwante donor stamcellen afstaan. We spreken dan van een MUD (=matched unrelated donor) transplantatie.

mobilisatiefase (allogene SCT) - Het aantal stamcellen in het bloed van de donor kan verhoogd worden door de donor "Granulocyte-Colony-Stimulating Factor" (afgekort:  G-CSF) te geven. Deze stof wordt via een onderhuidse injectie toegediend. De stof komt normaal in ons lichaam voor in kleine hoeveelheden en stimuleert de aanmaak en rijping van bloedstamcellen, met name van de voorlopercellen die witte bloedlichaampjes aanmaken. De stof kan via speciale technieken worden geproduceerd en daardoor in grotere hoeveelheid toegediend worden. De stamcellen worden gemobiliseerd (vandaar de naam "mobilisatiefase") en verplaatsen zich van het beenmerg naar het perifere bloed

aferese donorstamcellen (autologe en allogene SCT) - In de periode dat de stamcellen na toediening van de G-CSF in het bloed aanwezig zijn, is het mogelijk deze uit het bloed te "oogsten". Hiertoe wordt een slangetje in een ader geplaatst waardoor het bloed naar de aferese-machine wordt gepompt. Deze machine scheidt de stamcellen van het bloed. De stamcellen worden verzameld en het bloed wordt via een ander slangetje weer teruggegeven aan de donor. Het oogsten van de stamcellen duurt ongeveer 4 uur. Na afloop wordt bepaald of voldoende stamcellen zijn verzameld of dat er nog een leukaferese nodig is.

(non-)myeloablatieve conditioneringsfase patiënt (autologe en allogene SCT) - de behandeling met een hoge dosis chemotherapie of radiotherapie (myeloablatief) of met een lagere dosis chemotherapie (non-myeloablatief) begint.

teruggave van de eigen stamcellen aan de patiënt (autologe SCT)  - Direct na de chemotherapie worden de voorafgaand aan de behandeling bij de patiënt geoogste en ingevroren eigen stamcellen ontdooit en via een infuus weer teruggegeven (= reïnfusie) aan de patiënt. De teruggegeven stamcellen (de zogenaamde "graft") nestelen zich in het beenmerg om daar te gaan zorgen voor snel herstel van de aanmaak van bloedcellen (de "engraftment"). 

toediening van de donor stamcellen (allogene SCT)  - Direct na de chemotherapie worden de bij de donor geoogste stamcellen via een infuus aan de patiënt gegeven. Deze donorstamcellen (de zogenaamde "graft") nestelen zich in het beenmerg om daar te gaan zorgen voor snel herstel van de aanmaak van bloedcellen (de "engraftment").

naar boven naar boven

 

Kader 1- HLA-typering

Het HLA (Humaan Leucocyten Antigeen) speelt een belangrijke rol in de acceptatie of afstoting van transplantaten. Als het HLA op een orgaan of in het beenmerg niet overeenkomt met het HLA op cellen in het eigen lichaam, zullen de cellen worden afstoten.

Lymfocyten vormen in het immuunsysteem van de mens de eerste verdediging tegen vreemde indringers zoals tumoren, bacteriën en virussen. T-lymfocyten zoeken naar HLA-eiwitten die zich op het oppervlakte van cellen bevinden. Als de T-lymfocyt de HLA-eiwitten als lichaamseigen herkent worden de cellen genegeerd. Als de T-lymfocyten de HLA-eiwitten echter als lichaamsvreemd beschouwen, zullen zij de vreemde cellen aanvallen door giftige stoffen uit te scheiden (cytotoxines).

Een T-lymfocyt gebruikt een aantal receptoren om informatie te verzamelen over de cellen waarmee het in contact komt. Gewoonlijk zal ten minste één specifieke receptor moeten worden geactiveerd voor de T-lymfocyten actie ondernemen.

De HLA kenmerken van ieder mens zijn erfelijk, daarom zal in eerste instantie binnen de familie naar een passende donor voor een stamceltransplantatie worden gezocht. Broers en zussen hebben een kans van 25% dat ze van beide ouders dezelfde HLA-typering hebben meegekregen.

Als er binnen de familie geen passende donor wordt gevonden, kan er gezocht worden naar een passende onverwante donor in uitgebreide internationale stamceldonorbanken. Niet iedere ziekte leent zich echter voor transplantatie met een onverwante donor.

De herstelfase 

In de herstelfase na een autologe of allogene SCT gebeurt er veel in het lichaam. Ongeveer een week na het begin van de hoge dosis chemokuur begint de zogenaamde "dip". Dit is een toestand van verminderde weerstand die wordt veroorzaakt door het afnemende aantal rode- en witte bloedcellen en bloedplaatjes. Door de ablatieve (= beenmerg dodende) hoge dosis chemotherapie, ligt het beenmerg stil en duurt het een tijdje (meestal tussen de 10 - 20 dagen) voor de teruggegeven bloedstamcellen in het beenmerg zijn genesteld en weer nieuwe bloedcellen gaan maken. Dit proces wordt nauwlettend door de behandelend arts gevolgd.

Er zullen voorzorgsmaatregelen worden genomen om het risico op infecties door de verminderde weerstand te voorkomen. Hiertoe worden medicijnen voorgeschreven, krijgt de patiënt een kiemarm dieet en moeten situaties waardoor de patiënt besmet kan raken worden vermeden. Ook een goede mondverzorging is belangrijk tijdens de "dip", omdat door slijmvliesbeschadigingen als gevolg van de hoge dosis chemotherapie gemakkelijk infecties ontstaan. Door het sterk verminderde aantal rode bloedcellen krijgt de patiënt last van bloedarmoede. Dit wordt regelmatig gecontroleerd en indien nodig behandeld met een bloedtransfusie.
Door het sterk verminderde aantal bloedplaatjes ontstaat een verhoogde kans op bloedingen. Dit kan zich op verschillende manieren uiten, bijvoorbeeld door blauwe plekken, bloedneuzen of bloedend tandvlees. Ook het aantal bloedplaatjes wordt regelmatig gecontroleerd en zonodig behandeld met een transfusie van bloedplaatjes.

Zodra de stamcellen zich genesteld hebben, de aanmaak van bloedcellen is hersteld (de "engraftment") en er verder geen complicaties zijn, kan een patiënt het ziekenhuis verlaten. Door zeer regelmatige controles wordt het verdere herstel van de patiënt nauwlettend gevolgd.

naar boven naar boven

Wat is een donor-lymfocyten-infusie (DLI)?

Na een allogene transplantatie wordt soms een donor-lymfocyten-infusie (DLI) gegeven. De stamcel donor wordt gevraagd om opnieuw een leukafereseprocedure te ondergaan om T-lymfocyten af te nemen. Hierbij wordt dan geen groeifactor gegeven (er worden immers geen stamcellen geoogst). De T-lymfocyten worden via een infuus in de arm in een later stadium aan de patiënt gegeven. Dit gebeurt poliklinisch. De donor-lymfocyten herkennen de leukemiecellen van de ontvangende patïënt als lichaamsvreemd en zullen de aanval op deze leukemiecellen openen.

Tot een DLI behandeling wordt soms besloten bij een beginnend recidief (bijvoorbeeld bij CML), bij een dreigend verlies van de activiteit van de getransplanteerde stamcellen, of wanneer het aantal donorstamcellen afneemt bij onvoldoende herstel van de afweer. Het kan enkele maanden duren voordat een eventueel gunstig resultaat bij de patiënt zichtbaar wordt. Soms wordt een donor-lymfocyten-infusie herhaald.  

naar boven naar boven

Wat is een tandem transplantatie?

Een "tandem transplantatie" is een dubbele autologe transplantatie methode die momenteel in klinische studies wordt toegepast. Tijdens een tandem transplantatie, ontvangt een patiënt - met een tussenperiode van enkele weken tot enkele maanden - twee opeenvolgende kuren met hoge dosis chemotherapie, beide gevolgd door een stamceltransplantatie. 

naar boven naar boven

Wat zijn de potentiële voor- en nadelen van de verschillende vormen stamceltransplantaties?

Potentiele voor- en nadelen

Type SCT

Potentiële voordelen

Potentiële nadelen

Autologe SCT

  • Geen donor nodig
  • Verwaarloosbaar gevaar dat stamcellen niet aanslaan
  • Geen gevaar voor het ontstaan van Graft versus Host Disease (GVHD) - zie hieronder
  • Het aantal patiënten dat overlijdt na een autologe SCT (5 %)  is veel lager dan na een allogene stamceltransplantatie (10-20%)
  • Door de hoge dosis chemotherapie is het afweersysteem verzwakt. De kans op het ontstaan van infecties is echter kleiner dan bij allogene SCT
  • De stamcellen die worden getransplanteerd zijn niet tumorvrij en niet onbeschadigd
  • MDS en secundaire AML kan niet worden voorkomen
  • Geen Graft-versus-tumor effect (GVT) - zie hieronder

Myeloablatieve allogene SCT

  • Ten opzichte van autologe SCT
  • De stamcellen die worden getransplanteerd zijn tumorvrij en onbeschadigd
  • MDS en secundaire AML kan worden voorkomen
  • Graft-Versus-Tumor effect (GVT) 

Ten opzichte van autologe SCT

  • Gebrek aan geschikte donoren
  • Er bestaat een kans (ongeveer 5%) dat de donor stamcellen niet aanslaan
  • kans op Graft versus Host Disease (GVHD)  
  • Ongeveer 10-20% van de patiënten die een allogene SCT ondergaat, overlijdt (bij een autologe stamceltransplantatie is dit ongeveer 5%)
  • Door de hoge dosis chemotherapie is het afweersysteem verzwakt. De kans op het ontstaan van infecties is groter dan bij autologe SCT

Non-myeloablatieve allogene SCT 

Ten opzichte van myeloablatieve SCT:

  • Minder toxisch (giftig) waardoor deze vorm van stamceltransplantatie ook beschikbaar is voor oudere patiënten en patiënten die vanwege hun conditie niet in aanmerking komen voor een hoge dosis chemotherapie
  • Lagere aan de transplantatie gerelateerde ziektecijfers. De kans op orgaanschade (ten gevolge van de hoge dosis chemotherapie) is veel lager. Ook het risico op infecties is minder groot omdat de periode dat er een verlaagd aantal witte bloedcellen in het bloed voorkomen veel korter is door de minder zware conditionering
  • Door deze vorm van SCT is een SCT nu ook beschikbaar voor patiënten met een niet-oncologische aandoeningen als sikkelcelziekte

Ten opzichte van myeloablatieve SCT:

  • Grotere kans op Graft Versus Host Disease (GVHD)
  • Het kost tijd tot het Graft Versus Tumor effect optreedt en bij snel groeiende tumoren ontbreekt die tijd. Ook zijn niet alle tumoren even gevoelig voor het Graft Versus Tumor effect (GVT).
  • Bij een grote tumorload (= het aantal tumorcellen of de grootte van de tumor) is de procedure niet effectief. Een goede benadering is danom eerst een autologe stamceltransplantatie te geven voor tumor reductie. Bijkomende voordeel is het afweer onderdrukkend effect daarvan. Hierdoor kan de voorbehandeling voor de allogene transplantatie beperkt blijven.

Graft-Versus-Tumor effect (GVT)

GVT doet zich voor als T-lymfocyten van de donor de kankercellen die achter zijn gebleven in het lichaam van de patiënt na de chemotherapie en / of bestralingstherapie, als lichaamsvreemd herkennen en aanvallen. Dit is een gunstig effect dat echter alleen bij een allogene SCT optreedt. Omdat de lichte chemotherapie en bestraling bij een non-myeloablatieve allogene SCT weinig celdodende eigenschappen heeft, wordt het succes van de mon-myeloablatieve allogene SCT voor het grootste deel bepaald door het Graft-Versus-Tumor effect.

Graft-Versus-Host-Disease (GVHD) 

Bij GVHD is het niet de patiënt die het transplantaat afstoot, maar zijn het de T-lymfocyten van de donor die het lichaam van de patiënt aanvallen (bij de autologe SCT bestaat dit risico niet). Er bestaat een acute en een chronische GVDH vorm. De symptomen kunnen licht tot ernstig zijn en korte tijd tot enkele jaren aanhouden.  Ook wanneer de HLA-typering overeen komt, bestaat er toch een kans dat door andere kleine verschillen tussen donor en ontvanger een afstotingsreactie ontstaat. 

De voor de genezing immunologische effecten teweeggebracht door de transplantatie zijn zeker zo belangrijk zijn als de hoog gedoseerde chemo-/radiotherapie. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat patiënten die de graft-versus-host ziekte doormaken een aanzienlijk lagere recidiefkans hebben ("graft-versus-tumor effect"). Bovendien uit het feit dat bij recidief van de ziekte na allogene transplantatie toediening van lymfocyten van de oorspronkelijke donor opnieuw tot een remissie kan leiden. 

naar boven naar boven

Bij welke hematologische aandoeningen worden stamcellen getransplanteerd?

Stamceltransplantaties (SCT) worden veel gebruikt bij de behandeling van leukemie, lymfeklierkanker (lymfoom) en multipel myeloom. Ze zijn het meest effectief wanneer deze aandoeningen in remissie zijn (= wanneer de symptomen van kanker verdwijnen of verdwenen zijn). Stamceltransplantaties kunnen echter worden toegepast bij de behandeling van een groot aantal - ook niet oncologische - hematologische aandoeningen. Voor meer gedetailleerde gegevens over de patiëntengroepen die in aanmerking kunnen komen voor een stamceltransplantatie, zie de behandel informatie over de betreffende aandoeningen elders op deze website.

Autologe stamceltransplantaties (evt. in studieverband)

Allogene stamceltransplantatie (evt. in studieverband)

Afhankelijk van de leeftijd is bij een allogene SCT de conditionering ablatief (beenmerg dodend) danwel niet-ablatief, waarbij het 40e levensjaar meestal de grens is. Donoren kunnen zowel familie als onverwante donoren zijn, waarbij de laatste meestal alleen toegepast worden als er sprake is van hoog-risicokenmerken van de onderliggende ziekte. Tegenwoordig wordt bovendien van navelstrengbloed gebruik gemaakt, maar dit vindt eigenlijk alleen in studieverband plaats.  

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie 

De contactgroep Stamceltransplantaties ondersteunt huidige en toekomstige SCT-patiënten, ex-patiënten, hun partners, donoren, ouders en andere naastbetrokkenen door lotgenotencontact te bieden, informatie te verschaffen en belangen waar mogelijk te behartigen:  www.sct.nfk.nl 

naar boven naar boven

Links

Europdonor is de Nederlandse stamceldonorbank te Leiden, waar anonieme gegevens van Nederlandse stamceldonors zijn opgeslagen. Deze gegevens kunnen door patiënten wereldwijd worden geraadpleegd.  Leiden verzorgt de aanvragen voor stamceldonors in Zuid,-West,-en Noord Nederland. Stichting SEN houdt zich bezig met de aanvragen voor donors die in Zuidoost Nederland woonachtig zijn. De werving van stamceldonors loopt in Nederland via de bloedbanken (zie www.sanquin.nl).

EBMT (European Group for Blood and Marrow Transplantation) is een organisatie van artsen en wetenschappers die zich richt op het uitwisselen van kennis en het gezamenlijk opzetten van studies t.a.v. stamceltransplantaties (Engelstalig).

Bone marrow donors worldwide. Deze internationale organisatie maakt zich sterk voor het verzamelen van HLA gegevens van vrijwillige stamcel donoren (en navelstrengbloed donoren) en is verantwoordelijk voor de coördinatie van de wereldwijde distributie (Engelstalig).

Een centrum waar stamceltransplantaties plaatsvinden, dient aan hoge kwaliteitseisen te voldoen en wordt vooraf geaccrediteerd door de JACIE (Engelstalig). 

naar boven naar boven