Niet-oncologische hematologie

De niet-oncologische hematologische aandoeningen die op deze website worden besproken, kunnen in drie groepen worden ingedeeld.

Een tekort aan goed functionerende rode bloedcellen of hemoglobine

een gebrekkige aanmaak van rode bloedcellen:

ga naar aplastische anemie

erfelijke aandoeningen waarbij een verhoogde afbraak (= hemolyse) van rode bloedcellen optreedt:

ga naar Sikkelcelziekte

ga naar Thalassemie 

ga naar Sferocytose en Elliptocytose

ga naar Enzymtekorten: Glucose-6-fosfaat dehydrogenase Deficiëntie (G6PD);  Pyruvaat-kinase deficiëntie

verworven aandoeningen waarbij een verhoogde afbraak van rode bloedcellen optreedt:

ga naar Paroxysmale Nachtelijke Hemoglobinurie

ga naar Immuun hemolytische anemieën

Een tekort aan goed functionerende bloedplaatjes of stollingsfactoren:

erfelijke stoornissen in de bloedstolling:

ga naar Hemofilie A en B

ga naar Ziekte van Von Willebrand

ga naar Ziekte van Glanzmann (= trombasthenie)

ga naar overige stollingsfactor-deficiënties

verworven stoornissen in de bloedstolling:

ga naar ITP  (auto-immuun ziekte waarbij het lichaam antistoffen aanmaakt tegen de eigen bloedplaatjes);

ga naar TTP (auto-immuun ziekte waarbij het lichaam antistoffen aanmaakt tegen een bepaald anti-stollings enzym).

erfelijke of verworven stoornissen waarbij stolsels in het bloed ontstaan:

ga naar trombose en embolie

Een tekort aan bloedplaatjes kan ook ontstaan door Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie,  door een vergrote milt die de bloedplaatjes wegvangt uit het bloed, of wanneer het beenmerg onvoldoende bloedplaatjes aanmaakt.

Wanneer de bloedplaatjes niet goed functioneren, spreken we van een trombocytopathie. Een trombocytopathie kan ontstaan na het gebruik van bepaalde geneesmiddelen (bloedverdunners), bij lever- en nierziekten en als gevolg van myeloproliferatieve aandoeningen.

Ook door afwijkingen aan de bloedvaten of bij tekorten aan vitamine C of K, kunnen stoornissen in de bloedstolling optreden.

Overige aandoeningen:

ga naar primaire hemochromatose (ijzerstapelingsziekte)

Anemieën


Wat is een anemie?

Bij een anemie ("bloedarmoede") bevat het bloed een te laag aantal rode bloedcellen of een te laag gehalte aan hemoglobine (Hb), een zuurstoftransporterend en ijzerhoudend eiwit ín de rode bloedcellen.

naar boven naar boven

Wat zijn mogelijke oorzaken?

Er zijn verschillende oorzaken voor het ontstaan van een anemie:

Verhoogd verlies van rode bloedcellen.

Dit kan het gevolg zijn van acuut bloedverlies (een ernstig ongeval, operatie of bevalling) of chronisch bloedverlies (ontstekingen of tumoren in het maag-darmkanaal of urinewegen, hevige menstruaties, ga naar TTP).

Onvoldoende aanmaak van rode bloedcellen

Dit kan worden veroorzaakt door:

  • onvoldoende vorming in het beenmerg. Lees verder bij: ga naar aplastische anemie
  • een tekort aan de  bouwstoffen in de voeding die nodig zijn voor de aanmaak van rode bloedcellen (ijzer, foliumzuur, vitamine B12)
  • een verdringing van gezond beenmerg waardoor de aanmaak van bloedcellen in het gedrang komt (bij oncologische aandoeningen als leukemie, MDS, lymfeklierkanker, myeloproliferatieve aandoeningen of de ziekte van Kahler).

Verhoogde afbraak van rode bloedcellen (= hemolytische anemie)

Een hemolytische anemie is een zeldzame vorm van bloedarmoede waarbij de rode bloedcellen worden vernietigd (= hemolyse) vóór hun normale levensduur is verstreken. Gezonde rode bloedcellen worden meestal na ongeveer 4 maanden uit het lichaam verwijderd. Bij een hemolytische anemie, breekt het lichaam de rode bloedcellen sneller af dan het beenmerg ze kan vervangen. 

naar boven naar boven

Indeling van de hemolytische anemieën

Een hemolytische anemie kan al dan niet erfelijk zijn, of op latere leeftijd ontstaan.

Erfelijke vormen

De erfelijke vormen van hemolyse kunnen het gevolg zijn van afwijkingen van het celmembraan (het buitenste omhulsel van de cel), de chemie binnen in de cel, of de productie van abnormale vormen of hoeveelheden hemoglobine.  De abnormale cellen raken beschadigd en worden in de bloedbaan vernietigd. Ook kan het zijn dat het immuunsysteem van het lichaam de eigen rode bloedcellen als lichaamsvreemd herkent, waarna de cellen door de milt uit de bloedbaan worden weggevangen:

De erfelijke hemolytische anemieën vereisen een levenslange behandeling. 

Niet-erfelijke vormen

Een niet-erfelijke (verworven) hemolytische anemie kan geleidelijk ontstaan, maar zich ook zeer snel ontwikkelen. Het verloop van hemolytische anemie, hangt af van de oorzaak en de ernst van de anemie. Een milde vorm van hemolytische anemie heeft vaak geen behandeling nodig. Ernstige hemolytische anemieën kunnen echter levensbedreigend zijn als ze niet worden behandeld. De verworven hemolytische anemieën kunnen ontstaan doordat de rode bloedcellen worden afgebroken onder invloed van:

  • Door een gebrek aan bepaalde eiwitten in de rode bloedcel ontstaan rode bloedcellen die afwijkingen aan de celwand vertonen. Het lichaam vernietigt deze cellen sneller dan normaal. De vernietiging kan zich continu voordoen of plotseling optreden: ga naar Paroxismale Nachtelijke Hemoglobinurie
  • Bij een autoimmuun hemolytische anemie vernietigt het afweersysteem van het lichaam de rode bloedcellen door de vorming van afweerstoffen tegen de rode bloedcellen. Dit kan ook voorkomen bij het gebruik van bepaalde geneesmiddelen: ga naarAuto-immuun hemolytische anemie
  • mechanische oorzaken. Schade aan de celwanden (membranen) van rode bloedcellen kan het gevolg zijn van veranderingen in de kleine bloedvaten. Een kunstmatige hartklep kan schade aan de celwanden van rode bloedcellen veroorzaken en ook de hart-long machine kan tijdens open-hart chirurgie de celwanden beschadigen. Schade kan ook optreden bij vrouwen met een verhoogde bloeddruk tijdens de zwangerschap, of in de ledematen van deelnemers aan marathons of andere inspannende activiteiten.
  • andere oorzaken. Malaria, "blackwater fever", door teken overgedragen ziekten, slangegif en bepaalde chemicaliën kunnen de rode bloedcellen aanvallen en vernietigen waardoor een hemolytische anemie optreedt.

naar boven naar boven

Is een anemie te behandelen?

De behandeling van bloedarmoede is afhankelijk van de aard, de oorzaak en de ernst van de aandoening. Het doel van de behandeling is het vergroten van de hoeveelheid zuurstof die het bloed kan vervoeren door het aantal rode bloedcellen en / of het hemoglobine gehalte in het bloed op niveau te brengen.  Omdat in sommige gevallen de anemie het gevolg is van een ziekte, zal ook altijd de oorzaak worden opgespoord en de onderliggende aandoening worden behandeld.

Supplementen of aangepaste voeding

Een gebrek aan bepaalde vitaminen of ijzer, kan met behulp van supplementen of een aangepaste voeding worden aangepakt.

Geneesmiddelen

Soms worden geneesmiddelen voorgeschreven die het aantal rode bloedcellen in het lichaam kunnen verhogen of de onderliggende oorzaak van de bloedarmoede behandelen:

  • antibiotica om infecties te behandelen
  • hormonen bij de behandeling van zware menstruaties
  • erytropoëtine dat het lichaam stimuleert meer rode bloedcellen aan te maken
  • geneesmiddelen die voorkomen dat het immuunsysteem de eigen rode bloedcellen vernietigt
  • chelatietherapie (= zuivering van het bloed) bij loodvergiftiging

Bloedtransfusie

Bij een ernstige anemie of ernstig acuut bloedverlies is een bloedtransfusie een vaak gebruikte therapie

Andere opties

Andere behandelingsopties worden bij de specifieke anemieën besproken.

naar boven naar boven

 

 

Aplastische anemie


Wat is aplastische anemie (AA)?

AA is een zeldzame ziekte van het beenmerg. De levensduur van bloedcellen is kort, het lichaam heeft daarom behoefte aan een constante levering van nieuwe bloedcellen. Bij aplastische anemie maakt het beenmerg echter veel minder rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes aan dan het lichaam nodig heeft. De bloedcellen die worden aangemaakt zijn wel normaal.

Aplastische anemie kan op elke leeftijd voorkomen. In Nederland wordt de ziekte jaarlijks bij 45 mensen vastgesteld. In de meeste gevallen is onbekend wat de oorzaak van aplastische anemie is. De aandoening kan echter veroorzaakt worden door hoge doses straling of bepaalde chemische stoffen of virussen. Er zijn aanwijzingen dat aplastische anemie een auto-immuunziekte is, waarbij het immuunsysteem het eigen beenmerg aanvalt. Een aantal vormen van aplastische anemie is aangeboren.

Erfelijke factoren

Het is bekend dat een aantal erfelijke aandoeningen de stamcellen kunnen beschadigen en kunnen leiden tot aplastische anemie: Fanconi anemie, Diamond-Blackfan anemie en het Shwachman-Diamond syndroom.

Deze erfelijke anemieën horen echter meer thuis in de Kindergeneeskunde. Voor meer informatie verwijzen wij naar de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde en het European Fanconi Anemia Center Amsterdam.

naar boven naar boven

Symptomen

Symptomen van aplastische anemie worden veroorzaakt door de te lage aantallen bloedcellen:

  • vermoeidheid, kortademigheid, zwakte en bleekheid door een laag aantal rode bloedcellen
  • frequente of ernstige infecties door lage aantallen witte bloedcellen
  • verhoogde kans op bloedingen (blauwe plekken en kleine rode vlekken onder de huid (petechiën) of bloedingen die moeilijk te stelpen zijn) door lage aantallen bloedplaatjes

Bij Fanconi anemie is de kans op geboorteafwijkingen en ontwikkelingsproblemen groter en kunnen ook nog de volgende symptomen worden gezien bij pasgeborenen:

  • Bot- of skeletafwijkingen
  • Oog- en oorafwijkingen
  • Huidverkleuringen
  • Nierproblemen
  • Aangeboren hartafwijkingen

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese 
  • Lichamelijk onderzoek - op tekenen van anemie en beenmergfalen, maar ook op afwijkingen die al bij de geboorte aanwezig waren
  • Beenmergonderzoek - Bij aplastische anemie bevatten de beenmergmonsters lage aantallen cellen. Op basis van het aantal cellen, wordt de diagnose matige, ernstige of zeer ernstige aplastische anemie gesteld. Matige aplastische anemie kan zich in de loop van de tijd ontwikkelen tot de ernstige vorm. Daarom zal gelet worden op tekenen dat de ziekte aan het veranderen is
  • Laboratoriumonderzoek: bloedonderzoek om andere aandoeningen zoals Paroxysmale Nachtelijke Hemoglobinurie (PNH) uit te sluiten, of om bepaalde oorzaken als hepatitis of andere virusinfecties op te sporen
  • Genetische test bij kinderen naar de aanwezigheid van het Fanconi anemie gen

naar boven naar boven

Vooruitzichten

Verworven aplastische anemie

Bij aplastische anemie wordt een onderscheid gemaakt op grond van de volgende criteria:

  • aplastische anemie (AA)
  • (zeer) ernstige aplastische anemie ((V)SAA)
    • minder dan 25% beenmergcellen
    • aantal granulocyten minder dan 0,5 miljard/liter bloed 
    • aantal trombocyten lager dan 20 miljard/liter bloed
    • anemie met minder dan 0,1 % reticulocyten (dit zijn onrijpe bloedcellen).

Een patiënt met een matige aplastische anemie kan met weinig klachten door het leven gaan. Bij een patiënt met een (zeer) ernstige aplastische anemie, kunnen de infecties of de bloedingen levensbedreigend zijn en is onmiddellijk medisch handelen geboden.

Fanconi anemie

Een patiënt met deze erfelijke vorm van aplastische anemie wordt - naast de verschijnselen die gepaard gaan aan aplastische anemie -  ook geconfronteerd met een groter risico op het ontstaan van bepaalde vormen van kanker. Ongeveer 10 procent van de patiënten ontwikkelt leukemie. Volwassenen patiënten met Fanconi anemie lopen een grotere kans om een solide tumor te ontwikkelen (vooral in de mond, tong, keel of slokdarm) dan patiënten die niet aan Fanconi anemie lijden. Vrouwelijke patiënten hebben een groter risico tot het ontwikkelen van tumoren in de voortplantingsorganen.

Fanconi anemie is een onvoorspelbare ziekte. De gemiddelde levensverwachting voor mensen met Fanconi anemie  is 20 tot 30 jaar. De meest voorkomende oorzaken van sterfte in verband met Fanconi anemie zijn beenmergfalen, leukemie en solide tumoren. 

naar boven naar boven

Behandeling

Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de aanbevelingen die hierna worden gegeven

De behandeling van aplastische anemie kan bestaan uit bloedtransfusies of medicijnen. Deze behandelingen zijn erop gericht complicaties te voorkomen of te beperken en de symptomen te verlichten. De aandoening kan alleen worden genezen met een stamceltransplantatie.

Bloedtransfusie

Patiënten met een milde of matige aplastische anemie hebben zolang hun toestand stabiel is, vaak geen behandeling nodig. Bij een (zeer) ernstige aplastische anemie is dringend behandeling nodig - in de vorm van bloedtransfusies - om het aantallen bloedcellen op een aanvaardbaar niveau te brengen

Medicijnen

De behandelend arts kan bepaalde geneesmiddelen voorschrijven die het beenmerg stimuleren tot de aanmaak van bloedcellen (bijvoorbeeld erythropoiëtine of groeifactoren als G-CSF).

Patiënten die niet in aanmerking komen voor een stamceltransplantatie, krijgen vaak geneesmiddelen voorgeschreven om het afweersysteem te onderdrukken. Deze geneesmiddelen moeten ervoor zorgen dat het lichaam niet langer de eigen cellen aanvalt en vernietigt (bijvoorbeeld een combinatie van antithymocyte globuline (ATG), ciclosporine, en methylprednisolon). Het kan soms een paar maanden duren voor deze geneesmiddelen effect hebben, maar áls de aantallen bloedcellen stijgen, verminderen de symptomen. De geneesmiddelen moeten vaak langdurig gebruikt worden en kunnen de ziekte niet genezen.

Wanneer door een laag aantal witte bloedcellen het risico op infecties toeneemt, kunnen antibiotica en antivirale geneesmiddelen worden voorgeschreven om infecties te voorkomen en behandelen.

Stamceltransplantatie

De enige manier om te genezen van aplastische anemie, is door het ondergaan van een ga naarstamceltransplantatie (SCT). Niet iedereen komt in aanmerking voor een SCT. De voorbereidende behandelingen zijn voor oudere patiënten of patiënten met een slechte algehele conditie, vaak een te zware belasting.

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

De behandeling van verworven ernstige aplastische anemie bij patiënten die niet in aanmerking komen voor een allogene stamceltransplantatie bestaat uit middelen die het afweersysteem onderdrukken zoals ATG in combinatie met ciclosporine (zie behandeling). Uit verschillende studies is gebleken dat ATG dat is vervaardigd via immunisatie (= het vervaardigen van afweerstoffen) van paarden, effectiever is dan ATG geproduceerd door immunisatie van konijnen. Is paard-ATG niet voorradig dan heeft behandeling met konijn-ATG de voorkeur boven geen behandeling. 

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.aaenpnh.nl (Stichting AA & PNH / Contactgroep AA & PNH)

www.bloedziekten.nl (Stichting zeldzame bloedziekten)

www.shwachman.nl (Shwachman Syndroom Support Holland)

naar boven naar boven

 

Sikkelcelziekte


Wat is sikkelcelziekte?

Sikkelcelziekte is een ernstige erfelijke ziekte waarbij abnormaal hemoglobine wordt aangemaakt (= hemoglobinopathie). Door dit abnormale hemoglobine ontwikkelen zich rode bloedcellen die de vorm van een sikkel hebben (de vorm van een "C").  Deze sikkelcellen bewegen zich door hun vorm niet zo gemakkelijk door de bloedvaten, zijn minder flexibel en hebben de neiging samen te klonteren. Deze klontjes blokkeren de bloedstroom en kunnen pijn, ernstige infecties en orgaanschade veroorzaken.

Normaal gesproken circuleren de rode bloedcellen ongeveer 120 dagen in de bloedbaan.  Zij vervoeren zuurstof en verwijderen kooldioxide (een afvalproduct) uit het lichaam. Bij sikkelcelziekte verdwijnen de sikkelcellen meestal al na ongeveer 10 tot 20 dagen. Het beenmerg kan niet snel genoeg voldoende nieuwe rode bloedcellen produceren om de afgebroken cellen te vervangen en er ontstaat bloedarmoede.

Sikkelcelziekte is een erfelijke ziekte. Mensen worden met de ziekte geboren en kunnen niet genezen. Sikkelcelziekte wordt autosomaal recessief overerfd. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven. Een recessieve aandoening komt alleen tot uitdrukking wanneer men van beide ouders het defecte gen heeft geërfd. Wordt slechts door één ouder een defect gen doorgegeven, dan zal het kind drager zijn van de aandoening en spreken we van "sikkelceltrait". Mensen met sikkelceltrait ondervinden daarvan geen klachten (zie kader 1).

Wereldwijd lijden miljoenen mensen aan sikkelcelziekte en sikkelcel trait. De ziekte komt vooral voor in families die hun wortels hebben liggen in Afrika, Zuid-of Midden-Amerika, Caribische eilanden, mediterrane landen (zoals Turkije, Griekenland en Italië), India en Saudi-Arabië. In Nederland zijn ongeveer 800 patiënten bekend. De ziekte komt evenveel voor bij mannen als bij vrouwen.

Sinds 1 januari 2007 worden in Nederland alle pasgeborenen gescreend op sikkelcelziekte.

Voor nadere informatie wordt verwezen naar de websites van de Landelijke Werkgroep Hemoglobinopathie Behandelaren en het Hemoglobinopathieën Laboratorium

Kader 1 - Erfelijkheid en sikkelcelziekte

Sikkelcelziekte is een autosomaal recessieve aandoeningen. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven.

Sikkelcelziekte is een recessieve aandoening die alleen tot uitdrukking komt wanneer men van beide ouders het defecte gen heeft geërfd. Wordt slechts door één ouder een defect gen doorgegeven, dan zal het kind drager zijn van de aandoening en spreken we van "sikkelceltrait".

Erfelijkheid sikkelcelziekte

naar boven naar boven

Symptomen

De klachten en symptomen van sikkelcelziekte variëren. Sommige mensen hebben slechts milde klachten, anderen vertonen zeer ernstige symptomen en moeten vaak in het ziekenhuis worden behandeld. Sikkelcelziekte is aanwezig bij de geboorte, toch vertonen kinderen pas symptomen als ze de leeftijd van 4 maanden bereiken. De meest voorkomende symptomen zijn gekoppeld aan de bloedarmoede en zijn over het algemeen niet ernstig:

  • vermoeidheid, zwakte en bleekheid door een tekort aan rode bloedcellen;
  • aangezien het hart harder moet werken om de verminderde hoeveelheid zuurstof in het bloed rond te pompen, kan een snelle hartslag optreden;
  • geelzucht. Wanneer de rode bloedcellen sterven, geven zij hun hemoglobine af aan de bloedbaan. Het hemoglobine wordt door het lichaam afgebroken tot een geel afvalproduct genaamd bilirubine. Hierdoor kunnen huid en ogen een gelige kleur krijgen en de urine donker kleuren. Bij sommige patiënten is dit vrijwel altijd zichtbaar, maar andere hebben dit alleen in perioden van toegenomen afbraak van de rode bloedcellen;
  • pijn in de bovenbuik. Door het verhoogd gehalte aan bilirubine in het bloed (uit de afbraak van rode bloedcellen) dat via de galwegen wordt afgevoerd, kunnen zich pijnlijke galstenen ontwikkelen. 

Kenmerkend voor sikkelcelziekte zijn de pijnaanvallen die kunnen optreden. Door de afwijkende vorm van de sikkelcellen, hebben de rode bloedcellen de neiging samen te klonteren. Deze klontjes blokkeren de bloedstroom en kunnen door het zuurstof gebrek dat optreedt in de achterliggende weefsels, pijnaanvallen veroorzaken. Deze pijn wordt een "sikkelcel-crise"genoemd en treedt vooral op in de botten, maar ook in de longen en buik.

Andere complicaties die kúnnen optreden zijn:

  • Zwelling en pijn in de handen en voeten: "hand-foot syndrome". Dit is een vorm van sikkelcelcrise die vooral op jonge kinderleeftijd optreedt. 
  • Miltsequestratie. Normaal gesproken filtert de milt abnormale rode bloedcellen en micro-organismen uit het bloed en helpt bij het bestrijden van infecties.  In sommige gevallen vangt de milt bloedcellen weg die eigenlijk nog in de bloedbaan zouden moeten circuleren. Hierdoor raakt de milt vergroot en ontstaat bloedarmoede. Bij een miltsequenstratie gaan Als zich teveel sikkelcellen in de milt ophopen waardoor er een snelle zwelling van de milt ontstaat en het bloedgehalte snel daalt. Patiënten dienen dan bloedtransfusies te krijgen. Dit is een complicatie die zich ook vooral op de kinderleeftijd voordoet. Het is van belang te realiseren dat door de opname van sikkelcel- cellen de milt bij sikkelcel patiënten al op jonge leeftijd niet goed meer functioneert en sikkelcel patiënten gevoeliger zijn voor levensbedreigende infecties. Hiervoor moeten antibiotica worden gebruikt en vaccinaties worden gegeven.
  • Infecties die kunnen ontstaan doordat de milt beschadigd is geraakt door de sikkelcellen, zijn vooral: longontstekingen, hersenvliesontsteking (meningitis) en malaria
  • Functieverlies van de lever door een lever crise of infectie met het hepatitis virus
  • Lever-, of hartfalen door ijzerstapeling ten gevolge van veelvuldige bloedtransfusies
  • Open wonden (ulcera's) van de huid aan de onderbenen 
  • Sikkelcelcrise van de longen ("acute chest syndrome" = ACS). Dit is een levensbedreigende aandoening vergelijkbaar met longontsteking. De aandoening wordt veroorzaakt door sikkelcellen die zich in de kleine bloedvaten van de longen bevinden en wordt veroorzaakt door infectie, botcrise of na operatieve ingrepen door slecht doorzuchten.
  • Pulmonale hypertensie. Door schade aan de kleine bloedvaten in de longen wordt het voor het hart moeilijker bloed via de longen rond te pompen. Hierdoor stijgt de bloeddruk in de longen. Dit wordt pulmonale hypertensie genoemd. Kortademigheid bij inspanning is het belangrijkste symptoom.
  • Beroertes waarbij een bloedvat wordt geblokkeerd of waarbij een bloedvat barst. Een beroerte kan leiden tot blijvende hersenschade, langdurige arbeidsongeschiktheid, verlamming (een onvermogen om te bewegen), of de dood. Ter voorkoming van deze complicatie wordt bij jonge kinderen naar de stroomsnelheid in de bloedvaten van de hersenen gekeken. 
  • Stille beroertes ("silent infarct"). Dit zijn kleine beroertes die ongemerkt ontstaan in de hersenen en bij 10% van de jonge sikkelcelpatiënten kunnenworden aangetroffen. Duidelijk is dat deze stille infarcten niet leiden tot verlammingsverschijnselen, maar wel tot verminderde schoolprestaties.
  • Oogproblemen (= retinopathie) kunnen ontstaan wanneer de sikkelcellen de kleine bloedvaten naar de ogen blokkeren. Dit kan leiden tot nieuwvorming van kwetsbare bloedvaatjes die kunnen bloeden waardoor blindheid kan ontstaan.
  • Ongewenste en pijnlijke erecties (= "priapisme"). Ongeveer 30% van de mannen met sikkelcelziekte geeft aan deze klacht in meer of mindere mate te hebben. Door de chronisch verhoogde bloedafbraak kunnen erecties langdurig aanhouden.
  • Galstenen door een ophoping van het eiwit bilirubine. Bilirubine komt vrij bij de afbraak van hemoglobine uit de afgestorven rode bloedcellen en wordt afgegeven in de gal. Door de hoge concentratie bilirubine in de gal kunnen al op jonge leeftijd galstenen ontstaan die de galwegen kunnen afsluiten of een galblaasontsteking kunnen veroorzaken. Een groot deel van de sikkelcelpatiënten moet om deze reden al op relatief jonge leeftijd een galblaas operatie ondergaan.
  • Nierschade. Door het vastlopen van sikkelcellen in de nieren, verliezen de nieren al op jonge leeftijd een deel van hun concentrerend vermogen. Hierdoor moeten sikkelcelpatiënten, ook als zij weinig drinken, relatief veel urineren. Op jonge leeftijd kan dit leiden tot het vaker in bed plassen dan kinderen zonder sikkelcelziekte. Op oudere leeftijd wordt ook vaak eiwitverlies in de urine gezien als voorbode van verdere nierfunctie verslechtering.
  • Bot problemen. Door afsluiting van kleine bloedvaatjes naar de botten, kan schade aan de botten ontstaan. Vooral de heupkop en schouderkop zijn hier kwetsbaar voor. Een deel van de sikkelcelpatiënten krijgt al op jonge leeftijd te maken met een ernstig aangetaste heupkop die daardoor vervangen moet worden door een kunstheup. De klachten van een aangetaste heup bestaan uit pijnklachten bij het lopen.

Kinderen met sikkelcelziekte groeien vaak langzamer dan andere kinderen en bereiken ook pas op latere leeftijd de puberteit. Volwassenen met sikkelcelziekte zijn vaak slanker of kleiner dan volwassenen zonder sikkelcelziekte.

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese 
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek:
    • Volledig bloedbeeld om de aard en ernst van de bloedarmoede vast te stellen
    • Reticulocyten telling. Dit geeft een indicatie van het tempo waarmee het beenmerg nieuwe rode bloedcellen aanmaakt. Reticulocyten zijn jonge rode bloedcellen. Bij sikkelcelziekte is het aantal reticulocyten verhoogd omdat het beenmerg door de versnelde afbraak van de sikkelcellen weer snel nieuwe rode bloedcellen moet aanmaken.
    • Bloeduitstrijkje. Onder de microscoop zijn de abnormaal gevormde sikkelcellen te zien
    • Haptoglobine, bilirubine en onderzoek naar de leverfunctie. Wanneer de rode bloedcellen worden afgebroken, probeert het lichaam het ijzer uit de afgebroken rode bloedcellen te behouden, door het te binden aan een ander eiwit: haptoglobine. Een laag haptoglobine gehalte in het bloed is dus een indicatie zijn voor een verhoogde afbraak van rode bloedcellen. Bilirubine is een bij-product van de afbraak van hemoglobine, maar kan ook ontstaan bij lever of galblaas aandoeningen. Bilirubine kan de ogen en huid geel kleuren. Bij vrijwel alle sikkelcelpatiënten is het haptoglobine sterk verlaagd en het bilirubine verhoogd als teken van versnelde rode bloedcel afbraak 
    • Hemoglobine elektroforese. Via deze test wordt abnormaal hemoglobine opgespoord
    • Genetische (DNA) test naar de aanwezigheid van het sikkelcel gen

naar boven naar boven

Prognose

Sikkelcelziekte is een erfelijke ziekte en kan niet genezen worden. Wel kunnen de symptomen worden verlicht en complicaties worden voorkomen en behandeld.

naar boven naar boven

Behandeling

Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de aanbevelingen die hierna worden gegeven

De behandelingen bij sikkelcelziekte zijn erop gericht de symptomen te helpen verlichten en complicaties te voorkomen of onder controle te houden.

Pijnbestrijding

De pijnklachten bij een sikkelcel crise worden behandeld met paracetamol/codeine, NSAID´s of morfine.

Hydratie (vochttoediening)

Vochtverlies bevordert het sikkelen van de rode bloedcellen. Dit dient zoveel mogelijk te worden voorkomen.

Antibiotica

Door eerdere aanvallen op de milt hebben sikkelcelpatiënten een hoger risico op infecties. Daarom moet bij verdenking op een bacteriële infectie meteen gestart worden met antibiotica.  Patiënten moeten ook zijn gevaccineerd met Pneumovax tegen longontstekingen. Deze vaccinatie moet iedere 5 jaar worden herhaald. Kinderen moeten in elk geval tot hun 12e jaar chronisch met antibiotica worden behandeld (penicilline) om infecties te voorkomen. Voor alle sikkelcelpatiënten wordt ook een jaarlijkse griepvaccinatie sterk aanbevolen.

Hydroxyureum

Hydroxyureum (Hydrea) remt de aanmaak van sikkelcellen door het beenmerg door het stimuleren van de aanmaak van zogenaamd foetaal hemoglobine. Dit zijn rode bloedcellen die bij kinderen worden gezien tot een half jaar na de geboorte en die niet kunnen sikkelen. Om deze reden krijgen kinderen met sikkelcelziekte het eerste half jaar van hun leven ook geen sikkelcelcrisen. Hydroxyureum stimuleert de aanmaak van deze rode bloedcellen en vermindert daarmee de kans op sikkelcelcrisen. Helaas reageert niet iedereen op dit middel en gaat het bij sommigen gepaard met misselijkheidsklachten. Hydroxyureum heeft bewezen de frequentie van sikkelcelcrisen te verlagen, evenals het optreden van acuut chest syndroom. Bij kinderen lijkt hydroxyureum ook het ontstaan van orgaanschade zoals uitval van de miltfunctie te kunnen vertragen.

Bloedtransfusies/wisseltransfusies

Om het zuurstoftransport van het bloed te verbeteren, kunnen bloedtransfusies worden gegeven waarbij extra niet sikkelende rode bloedcellen in de bloedbaan worden gebracht. Nadeel van bloedtransfusies is dat er ijzerstapeling in het lichaam kan optreden en het bloed stroperig kan worden. Om dat te voorkomen, wordt vaak besloten tot een erythrocytaferese / wisseltransfusie. Hierbij worden de rode bloedcellen van de patiënt vervangen door rode bloedcellen van een donor. Een nadeel van beide vormen van transfusie is, dat er antistoffen gevormd kunnen worden tegen de toegediende rode bloedcellen. Hierdoor wordt het in de toekomst steeds moeilijker om geschikt bloed te vinden. Indicaties voor acute transfusies of wisseltransfusies zijn een hersenberoerte, ACS, zeer ernstige infectie of een acute operatie. Chronische transfusies worden gegeven ter voorkoming van hersenberoertes bij patiënten die al zo'n beroerte hebbendoorgemaakt of bij patiënten met meerdere episoden van een ACS die niet voorkomen kunnen worden met hydroxyureum hebben een indicatie voor chronische bloed of wisseltransfusie.

IJzerstapeling

Door vele bloedtransfusies kan ijzerstapeling optreden. Het lichaam kan zich niet van dit teveel aan ijzer ontdoen. Het ijzer in de lever kan leiden tot leverschade, leverfalen, leverkanker of levercirrose (=vorming van littekenweefsel in de lever). IJzerstapeling in het hart kan ook leiden tot hartfalen. Ook de productie van hormonen, zoals het schildklierhormoon, geslachtshormonen (oestrogenen (bij de vrouw) en testosteron (bij de man)), bijnierhormonen en insuline kan door ijzerstapeling worden geremd. Verminderde produktie van insuline leidt tot suikerziekte.

IJzer kan uit het lichaam worden afgevoerd met speciale medicijnen. Voorbeelden van deze medicijnen zijn: Desferal, Ferriprox of Exjade.

Ontijzeringstherapie wordt ook wel chelatietherapie genoemd.

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

De enige manier om te genezen van sikkelcelziekte is door een beenmerg of stamceltransplantatie waarbij gebruik wordt gemaakt van de stamcellen (de voorlopercellen van alle bloedcellen) van een broer of zuster van de patiënt of een donor uit een internationale donorbank. Er zijn in de wereld slechts enkele honderden patiënten op deze manier behandeld. Afhankelijk van de leeftijd en de mate van schade aan het lichaam door sikelcelziekte, gaat zo’n transplantatie gepaard met complicaties. Een deel van de patiënten kan zelfs aan deze complicaties komen te overlijden. Bij iedere patiënt dient op grond van de schade, leeftijd en de beschikbaarheid van een donor, een afweging te worden gemaakt. In Nederland zijn tot nu toe slechts enkele sikkelcelpatiënten getransplanteerd.

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.oscarnederland.nl

naar boven naar boven

Thalassemie


Wat is thalassemie?

Thalassemie is een erfelijke bloedziekte waarbij het lichaam onvoldoende en afwijkend hemoglobine aanmaakt (= hemoglobinopathie). Hemoglobine is een ijzer-rijk eiwit in rode bloedcellen. Het vervoert zuurstof naar alle delen van het lichaam en voert kooldioxide af naar de longen, waar het wordt uitgeademd.

Normaal hemoglobine bevat vier eiwit ketens: twee alpha- en twee bèta-globuline. De twee belangrijkste soorten thalassemie, alpha- en bèta- thalassemie, zijn vernoemd naar gebreken in deze eiwitketens.

Thalassemie is een autosomaal recessieve aandoening (zie kader 1). Patiënten worden met de ziekte geboren en kunnen niet genezen. Wereldwijd lijden miljoenen mensen aan thalassemie. Alpha-thalassemie komt vooral voor in families die hun wortels hebben liggen in Zuidoost-Azïe, India, China of de Filippijnen. Bèta-thalassemie wordt vooral gevonden bij patiënten afkomstig uit gebieden rond de Middellandse Zee (Griekenland, Italïe en het Midden-Oosten) of die van Aziatische of Afrikaanse oorsprong of afkomst zijn.

Alpha-thalassemie

Vier genen (twee van elke ouder) zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van voldoende alpha-globuline ketens. De ernst van de aandoening is afhankelijk van het aantal genen dat ontbreekt:

  • Type 2 alpha-thalassemie doet zich voor wanneer één van de genen ontbreekt. Mensen met deze vorm van thalassemie zijn "dragers" en zullen geen klachten ondervinden.
  • Bij type 1 alpha-thalassemie ontbreken twee genen. Dit kan een milde bloedarmoede veroorzaken. Vaak zijn de rode bloedcellen iets kleiner dan normaal. Voor de erfelijkheid is het belangrijk een verschil te maken tussen de (aa/--) en de (a-/a-) vorm. In beide gevallen ontbreken er twee genen, maar de eerste vorm kan wanneer de partner een enkel gen mist, aanleiding geven tot een kind bij wie drie genen ontbreken: HbH ziekte (zie hieronder)
  • Wanneer er drie genen ontbreken, spreken we van de HbH ziekte. Patiënten met deze aandoening hebben symptomen die het meest aan beta-thalassemie intermedia doen denken met een duidelijk anemie een vergrote milt (splenomegalie), vaak galstenen door de verhoogde bloedafbraak met soms geelzucht (icterus) en chronische ulcera (open wonden) aan de benen.
    Patiënten met HbH ziekte kunnen uiteindelijk afhankelijk worden van transfusies. Echter, de wijze waarop de aandoening zich presenteert, kan sterk variëren. De achtergrond is dat door de ernstige verstoring van het evenwicht tussen de alpha-keten productie (nu aangedreven door slechts één gen, in plaats van vier) en een normale bèta-keten productie, leidt tot een ophoping van deze beta-ketens in de rode bloedcellen en de productie van abnormaal "Hemoglobine-H". Dit abnormale hemoglobine is niet goed in staat zuurstof te vervoeren. Daarnaast raakt het celmembraan van de rode bloedcel beschadigd.
  • De meest ernstige vorm van alpha-thalassemie, waarbij alle vier de genen ontbreken,  is bekend als alpha thalassemie major of hydrops foetalis. Baby's met deze aandoening sterven vaak vóór of kort na de geboorte.
Kader 1 - Erfelijkheid en (bèta)thalassemie

Thalassemie is een autosomaal recessieve aandoening. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven.

Dat thalassemie een recessieve aandoening is, blijkt uit het volgende. Vier genen zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van voldoende alpha-globuline. De meest ernstige vormen van alpha-thalassemie treden echter pas op wanneer men drie of vier van deze defecte genen erft.

Twee genen zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van bèta-globuline. De meest ernstige vorm van bèta-thalassemie komt pas tot uiting wanneer men beide defecte van de ouders erft (zie de afbeelding hieronder).

Erfelijkheid thalassemie

Bèta-thalassemie

Twee genen (één van elke ouder) zijn verantwoordelijk voor de aanmaak van voldoende bèta-globuline ketens (zie schema 1). Bèta-thalassemie-trait treedt op wanneer één gen is veranderd. Er kan dan een milde bloedarmoede optreden. Wanneer er mutaties in beide genen zijn opgetreden, kan een milde (bèta-thalassemie-intermedia) tot ernstige (bèta-thalassemie-major) bloedarmoede ontstaan. Deze meest ernstige vorm staat ook bekend Cooley's anemie.

Overige vormen van thalassemie

De overige vormen van thalassemie zijn:

  • delta-thalassemie-trait: één defect delta hemoglobine gen
  • delta-thalassemie-major: twee defecte delta genen
  • E-thalassemie: één of twee defecte bèta genen en daarbij abnormaal hemoglobine (HBE)
  • Sikkelcel-bèta-thalassemie: één defect bèta gen en daarbij abnormaal hemoglobine (HBS)

In Nederland zijn ongeveer 100-200 patiënten bekend. De ziekte komt evenveel voor bij mannen als bij vrouwen.

Sinds 1 januari 2007 worden in Nederland alle pasgeborenen alleen gescreend op de ernstige vorm van thalassemie (thalassemie major). Alle andere vormen zijn bij het hielprikonderzoek niet goed op te sporen.

Voor nadere informatie verwijzen wij naar de websites van de Landelijke Werkgroep Hemoglobinopathie Behandelaren en het Hemoglobinopathieën Laboratorium.

 

naar boven naar boven

Symptomen

De klachten en symptomen van thalassemie variëren. Sommige mensen hebben slechts milde klachten, anderen vertonen zeer ernstige symptomen en moeten vaak in het ziekenhuis worden behandeld. Thalassemie is aanwezig bij de geboorte, toch vertonen maar weinig kinderen symptomen vóór ze de leeftijd van 6 maanden bereiken. De meest voorkomende symptomen zijn gekoppeld aan de bloedarmoede en zijn over het algemeen niet ernstig: vermoeidheid, kortademigheid, zwakte en bleekheid. Deze klachten zijn voornamelijk bij de ernstige vorm van thalassemie (thalassemie major) zo jong al manifest.

Complicaties die kúnnen ontstaan, zijn:

  • Ernstige reacties op een bloedtransfusie, waardoor koorts, rillingen, lage bloeddruk en shock kunnen optreden
  • Lever- of hartfalen door ijzerstapeling ten gevolge van veelvuldige bloedtransfusies en een toename van de ijzeropname in het lichaam. 

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese 
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek:
    • Volledig bloedbeeld, hemoglobine-gehalte
    • Reticulocyten telling. Dit geeft een indicatie van het tempo waarmee het beenmerg nieuwe rode bloedcellen aanmaakt. Reticulocyten zijn jonge rode bloedcellen. Meestal is het aantal reticulocyten bij een hemolytische anemie verhoogd omdat door het tekort aan rode bloedcellen in het bloed, de voorlopers in het beenmerg niet de tijd krijgen om uit te rijpen.
    • Bloeduitstrijkje. Bij sommige vormen van hemolytische anemie zijn onder de microscoop abnormaal gevormde rode bloedcellen te zien
    • Haptoglobine, bilirubine en onderzoek naar de leverfunctie. Wanneer de rode bloedcellen worden afgebroken, probeert het lichaam het ijzer uit de afgebroken rode bloedcellen te behouden, door het te binden aan een ander eiwit: haptoglobine. Een laag haptoglobine gehalte in het bloed is dus een indicatie zijn voor een verhoogde afbraak van rode bloedcellen. Bilirubine is een bij-product van de afbraak van hemoglobine, maar kan ook ontstaan bij lever of galblaas aandoeningen. Bilirubine kan de ogen en huid geel kleuren. Bij vrijwel alle patiënten is het haptoglobine sterk verlaagd en het bilirubine verhoogd als teken van de versnelde rode bloedcel afbraak 
    • Hemoglobine elektroforese. Via deze test wordt abnormaal hemoglobine opgespoord
    • Genetische (DNA) test naar de ontbrekende of gemuteerde genen die betrokken zijn bij thalassemie

naar boven naar boven

Vooruitzichten

Thalassemie is een erfelijke ziekte en kan niet genezen worden. Wel kunnen de symptomen worden verlicht en complicaties worden voorkomen en behandeld. Met het invoeren van chronische bloedtransfusies is de prognose van thalassemie major sterk verbeterd, maar gingen patiënten toch op relatief jonge leeftijd dood door de complicaties van chronische bloedtransfusie (vooral ijzerstapeling van de lever en het hart). Na de invoering en verbetering van ontijzeringstherapie (chelatietherapie) is de prognose van de ziekte sterk verbeterd.

naar boven naar boven

Behandeling

Omdat ieder ziektebeeld uniek is, kan de behandelend arts besluiten af te wijken van de aanbevelingen die hierna worden gegeven

De behandelingen bij thalassemie zijn erop gericht de symptomen te helpen verlichten en complicaties te voorkomen of onder controle te houden. Het belangrijkste van de behandeling van thalassemie major is transfusie therapie en adequate ontijzering. In Italië is grote ervaring opgedaan met het al op jonge leeftijd uitvoeren van beenmergtransplantaties. Anders dan bij sikkelcelziekte lijken de resultaten voor deze patiënten zo overtuigend, dat bij kinderen met ernstige thalassemie, het de aanbeveling verdiend, op zoek te gaan naar een geschikte donor voor het uitvoeren van een dergelijke transplantatie. Ook in Nederland worden deze transplantaties verricht.

Omdat veel kinderen op jonge leeftijd een milt verwijdering hebben ondergaan, moet rekening worden gehouden met een verhoogde gevoeligheid voor bacteriële infecties. Jonge kinderen moeten om die reden antibiotica profylaxe gebruiken, terwijl voor oudere kinderen en volwassenen geldt, dat zij laagdrempelig met antibiotica moeten worden behandeld. Alle kinderen en volwassenen met ernstige thalassemie moeten pneumococcen vaccinatie en een jaarlijkse griepvaccinatie krijgen.

IJzerstapeling

Door vele bloedtransfusies kan ijzerstapeling optreden. Het lichaam kan zich niet van dit teveel aan ijzer ontdoen. Het ijzer in de lever kan leiden tot leverschade, leverfalen, leverkanker of levercirrose (=vorming van littekenweefsel in de lever). IJzerstapeling in het hart kan ook leiden tot hartfalen. Ook de productie van hormonen, zoals het schildklierhormoon, geslachtshormonen (oestrogenen (bij de vrouw) en testosteron (bij de man)), bijnierhormonen en insuline kan door ijzerstapeling worden geremd. Verminderde produktie van insuline leidt tot suikerziekte.

IJzer kan uit het lichaam worden afgevoerd met speciale medicijnen. Voorbeelden van deze medicijnen zijn: Desferal, Ferriprox, of Exjade.

Ontijzeringstherapie wordt ook wel chelatietherapie genoemd. 

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

 

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.oscarnederland.nl

naar boven naar boven

Sferocytose en elliptocytose


Wat is sferocytose/elliptocytose?

Sferocytose en elliptocytose zijn erfelijke vormen van bloedarmoede, die worden veroorzaakt door een afwijkende vorm van de rode bloedcellen en die vaak gepaard gaan met geelzucht en een vergrote milt.

Rode bloedcellen zijn gevuld met hemoglobine, een eiwit dat zuurstof van de longen naar de weefsels vervoert en kooldioxyde naar de longen retourneert. Om een goede gasuitwisseling (zuurstof én kooldioxide) in de cel mogelijk te maken, dient het oppervlakte van de rode bloedcellen in verhouding tot de inhoud maximaal te zijn. Rode bloedcellen hebben daarom een biconcave vorm (een schijfvorm met een ingedeukt centrum). Ook dienen de rode bloedcellen goed vervormbaar te zijn, om in de kleinste bloedvaatjes te kunnen doordringen.

Bij erfelijke sferocytose en elliptocytose heeft de celwand van de rode bloedcellen een afwijkende vorm. De cellen zijn minder goed in staat tot gasuitwisseling en de celwand is minder flexibel. De rode bloedcellen zijn kwetsbaarder en worden sneller afgebroken waardoor er een hemolytische anemie ontstaat.

Beide aandoeningen zijn autosomaal dominant (zie kader 1). De aandoeningen komen ongeveer evenveel bij mannen als  bij vrouwen voor. Ongeveer 3 op de 10.000 pasgeborenen heeft aangeboren sferocytose.  Erfelijke elliptocytose is zeer zeldzaam.

Erfelijke sferocytose

Erfelijke sferocytose kenmerkt zich door de vernietiging van abnormale rode bloedcellen die de vorm van een afgeplatte bol hebben. Bij erfelijke sferocytose zijn de rode bloedcellen minder flexibel en worden ze sneller door de milt weggevangen en afgebroken.

Erfelijke elliptocytose

Erfelijke elliptocytose is een zeldzame aandoening waarbij de rode bloedcellen ovaal (=elliptisch) van vorm zijn. Hemolyse van de rode bloedcellen is meestal niet of nauwelijks aanwezig en er is ook nauwelijks sprake van bloedarmoede. Wel komt vaak een vergrote milt voor. 

naar boven naar boven

Kader 1- Erfelijkheid en Sferocytose/Elliptocytose

Beide aandoeningen zijn autosomaal dominant. Dit betekent dat wanneer slechts één van beide ouders het afwijkend gen bezit, de aandoening bij het kind tot uiting komt (=dominant). Het geslacht van het kind is hierbij niet van invloed; dit komt omdat het afwijkend gen niet op het chromosoom ligt dat het geslacht van het kind bepaald (= autosomaal).

Erfelijkheid sferocytose-elliptocytose

Symptomen

Symptomen die zich kunnen voordoen zijn:

  • Vermoeidheid door een tekort aan rode bloedcellen (anemie)
  • Geelzucht. Wanneer de rode bloedcellen sterven, komt hun hemoglobine in de bloedbaan. De hemoglobine wordt door het lichaam afgebroken in een afbraakproduct genaamd bilirubine, waardoor de huid en het oogwit een gelige kleur kunnen krijgen. Ook de urine kan donker geel of bruin kleuren
  • Pijn in de bovenbuik.  Door het verhoogd gehalte aan bilirubine in het bloed (uit de afbraak van rode bloedcellen), kunnen zich pijnlijke galstenen ontwikkelen
  • Vergrote milt
  • Galstenen

De symptomen bij elliptocytose zijn in het algemeen milder dan die van sferocytose.

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese 
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek. Een hemolytische anemie kan worden aangetoond via de volgende onderzoeken:
    • Volledig bloedbeeld (vrijwel altijd wordt een tekort aan rode bloedcellen waargenomen)
    • Telling van het aantal reticulocyten in het bloed. Dit geeft een indicatie van het tempo waarmee het beenmerg nieuwe rode bloedcellen aanmaakt. Reticulocyten zijn onrijpe rode bloedcellen die normaal gesproken nog niet in de bloedbaan voorkomen. Meestal is het aantal reticulocyten bij een hemolytische anemie verhoogd omdat door het tekort aan rode bloedcellen in het bloed, de voorlopers in het beenmerg niet de tijd krijgen om uit te rijpen.

Als de diagnose hemolytische anemie is gesteld, zal via aanvullend bloedonderzoek worden onderzocht of er sprake is van sferocytose of elliptocytose of een andere hemolytische anemie:

  • Bloeduitstrijkje. Bij erfelijke sferocytose en elliptocytose zijn onder de microscoop abnormaal gevormde rode bloedcellen te zien
  • Osmotische fragiliteit test. Deze test zoekt naar abnormaal kwetsbare rode bloedcellen, zoals die voorkomen bij erfelijke sferocytose en elliptocytose
  • Membraan eiwit electroforese en andere meer specifieke analyses

naar boven naar boven

Vooruitzichten

Omdat het hier erfelijke aandoeningen betreft, is genezing niet mogelijk. In veel gevallen is een behandeling echter ook niet nodig, omdat er nauwelijks klachten zijn.

naar boven naar boven

Behandeling

Wanneer een patiënt nauwelijks symptomen toont, is een behandeling in veel gevallen niet noodzakelijk. Wanneer er klachten optreden bij een aanval van ernstige hemolyse (afbraak), kan een bloedtransfusie worden gegeven. Deze behandeling is echter zelden nodig.

Het verwijderen van de milt is een behandeling die zelden nodig is. Wanneer de milt niet meer aanwezig is, is de levensduur van de rode cellen normaal en verdwijnen bijna altijd alle verschijnselen. De milt speelt echter ook een belangrijke rol bij het bestrijden van infecties. Het verwijderen van de milt heeft dus zowel voor- als nadelen en wordt alleen toegepast indien strikt noodzakelijk .

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

 

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

https://bloedziekten.nl/sferocytose (Stichting Zeldzame Bloedziekten)

naar boven naar boven

Enzymdefecten

Figuur 1
G6PD


Wat zijn enzymdefecten?

Glucose-6-fosfaat dehydrogenase (G6PD) Deficiëntie

G6PD is een enzym dat ervoor zorgt dat een rode bloedcel van voldoende energie uit voedingsstoffen (glucose of suiker) wordt voorzien. Zonder voldoende functionerend G6PD enzym komt de rode bloedcel energie tekort en kan het hemoglobine geen zuurstof meer transporteren. De rode bloedcel valt uiteen en sterft. Een aantal factoren kan deze afbraak van de rode bloedcellen “triggeren”: anti-malaria middelen, infecties en bij sommige mensen het eten van tuinbonen.

Het G6PD-gen bevindt zich op het X-chromosoom. Het is een geslachtsgebonden recessieve aandoening (zie schema 1). Bij mannen met de aandoening kan de G6PD activiteit gering zijn of geheel ontbreken. Vrouwen kunnen drager zijn; vaak is de G6PD activiteit dan vrijwel normaal. Toch komt het ook bij vrouwelijke patiënten voor dat ernstige klachten optreden.

De twee meest voorkomende vormen G6PD deficiëntie treffen vooral mannen van Afrikaanse afkomst (G6PD van het A(-)type)), of mannen afkomstig uit de landen rond de middellandse zee (G6PD van het Mediterrane-type).

Pyruvaat Kinase (PK) Deficiëntie

Bij deze erfelijke aandoening missen de rode bloedcellen een belangrijk enzym genaamd pyruvaat kinase (PK). Net als het G6PD enzym zorgt het pyruvaat kinase ervoor dat de rode bloedcellen van voldoende energie worden voorzien. Door het ontbreken van dit enzym zullen de rode bloedcellen sneller uiteenvallen en sterven.

PK deficiëntie is een autosomaal recessieve aandoening. De patiënt heeft het defecte gen van beide ouders geërfd (zie schema 1).

Overige enzymdeficiënties

Zeer zeldzame andere enzymdeficiënties die hemolytische anemie veroorzaken zijn: glucosefosfaatisomerase, pyrimidine-5'-nucleotidase, triosefosfaatisomerase, hexokinase, aldolase, difosfoglyceraatmutase en glutathion-synthetiserende enzymen.

Schema 1 - Erfelijkheid

G6PD - geslachtsgebonden overerving

De chromosomen die iemands geslacht bepalen zijn het X- en Y-chromosoom. Mannen hebben één X- en één Y-chromosoom; vrouwen hebben twee X-chromosomen. De genen voor G6PD bevinden zich op het X-chromosoom.

Omdat mannen slechts één X-chromosoom bezitten, zullen zij G6PD-deficiëntie hebben wanneer zij één gen daarvoor erven (situatie A, B en C). Omdat vrouwen twee X-chromosomen bezitten, zal het X-chromosoom waarop zich níet het G6PD-deficiëntie gen bevindt, de functie van het andere X-chromosoom overnemen en zo zal alsnog voldoende functionerende enzymen worden geproduceerd. Vrouwen die één defect gen bezitten, heten draagsters en zij kunnen de ziekte doorgeven aan hun kinderen (situatie A en B).

In het uiterst zeldzame geval dat de vader G6PD-deficiëntie heeft en de moeder drager is, kan ook de dochter getroffen worden door een ernstige vorm van G6PD-deficiëntie (situatie B).

PK - recessief autosomale overerving

Een recessieve aandoening komt alleen tot uitdrukking wanneer men van beide ouders het defecte gen heeft geërfd. Wordt slechts door één ouder een defect gen doorgegeven, dan zal het kind drager zijn van de aandoening. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven.

Erfelijkheid PK

naar boven naar boven

Symptomen

De klachten en symptomen variëren. Sommige mensen hebben slechts milde klachten, anderen vertonen zeer ernstige symptomen en moeten in het ziekenhuis worden behandeld. De meest voorkomende symptomen zijn gekoppeld aan de bloedarmoede en zijn over het algemeen niet ernstig:

  • Het meest voorkomende symptoom bij iedere hemolytische anemie, is vermoeidheid, zwakte en bleekheid door een tekort aan rode bloedcellen.
  • Aangezien het hart moet harder werken om de verminderde hoeveelheid zuurstof in het bloed rond te pompen, kan een snelle of onregelmatige hartslag optreden
  • Geelzucht. Wanneer de rode bloedcellen sterven, geven zij hun hemoglobine af aan de bloedbaan. De hemoglobine wordt door het lichaam afgebroken tot een geel afvalproduct genaamd bilirubine. Hierdoor kunnen huid en ogen een gelige kleur krijgen en de urine donker kleuren.
  • Pijn in de bovenbuik. Door het verhoogd gehalte aan bilirubine in het bloed (uit de afbraak van rode bloedcellen), kunnen zich pijnlijke galstenen ontwikkelen

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese 
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek:
    • Volledig bloedbeeld, hemoglobine-gehalte
    • Reticulocyten telling. Dit geeft een indicatie van het tempo waarmee het beenmerg nieuwe rode bloedcellen aanmaakt. Reticulocyten zijn onrijpe rode bloedcellen die normaal gesproken nog niet in de bloedbaan voorkomen. Meestal is het aantal reticulocyten bij een hemolytische anemie verhoogd omdat door het tekort aan rode bloedcellen in het bloed, de voorlopers in het beenmerg niet de tijd krijgen om uit te rijpen.
    • Bloeduitstrijkje. Onder de microscoop zijn bij G6PD deficiëntie vaak abnormaal gevormde rode bloedcellen te zien waarin zich korrels van geoxideerd hemoglobine bevinden (zie figuur 1 - Heinz bodies)
    • Haptoglobine, bilirubine en onderzoek naar de leverfunctie. Wanneer de rode bloedcellen worden afgebroken, probeert het lichaam het ijzer uit de afgebroken rode bloedcellen te behouden, door het te binden aan een ander eiwit: haptoglobine. Een laag haptoglobine gehalte in het bloed kan dus een indicatie zijn voor een verhoogde afbraak van rode bloedcellen. Bilirubine is een bij-product van de afbraak van hemoglobine, maar kan ook ontstaan bij lever of galblaas aandoeningen. Bilirubine kan de ogen en huid geel kleuren
    • Het gehalte aan G6PD en de activiteit van het PK enzym kunnen worden gemeten

naar boven naar boven

Vooruitzichten

Patiënten die vroeg gediagnosticeerd en behandeld worden, hebben een normale levensverwachting.

naar boven naar boven

Behandeling

Bij een ernstige hemolytische aanval kan een bloedtransfusie nodig zijn. De behandeling bestaat bij G6PD deficiëntie tevens uit het wegnemen van de oorzaken die de hemolytische aanval hebben opgewekt.

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.stofwisselingsziekten.nl

naar boven naar boven

Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH)


Wat is Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH)?

PNH is een verworven hemolytische anemie die ontstaat door een verandering (mutatie) in een gen in de stamcel. Normaal gesproken zorgt dit gen ervoor dat er een bepaald ankereiwit wordt aangemaakt dat de rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes nodig hebben om eiwitten aan zich te binden. Deze eiwitten helpen onder andere bij de bestrijding van chemische aanvallen en infecties en spelen een rol bij de stolling. Door het defecte gen ontstaan abnormaal gevoelige rode bloedcellen die onder bepaalde omstandigheden sneller kapot gaan (hemolyse).

Een belangrijk kenmerk van PNH is het 's nachts kapot gaan van de rode bloedcellen. Dit komt bij ongeveer een kwart van de patiënten voor. De afbraak en het afvoeren van de afbraakproducten met de urine leidt tot de rood/bruin gekleurde ochtendurine. Hier komt de naam Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH) ofwel aanvalsgewijze nachtelijk rode urine vandaan. De ernst van PNH verschilt sterk van individu tot individu. Soms kunnen bloedtransfusies nodig zijn om de rode bloedcellen aan te vullen. Soms is er bij PNH een verhoogd risico op vorming van stolsels. Dit kan tot ernstige complicaties en soms tot levensgevaarlijke situaties leiden. Bij 3-5% van de patiënten wordt een overgang naar acute leukemie gezien.

PNH is een zeldzame ziekte en wordt in Nederland ieder jaar bij 40-80 patiënten vastgesteld. PNH komt het meest voor bij volwassenen tussen de 30 en 50 jaar, maar de aandoening kan op iedere leeftijd voorkomen. De ziekte komt iets vaker voor bij vrouwen dan bij mannen (de verhouding is 1,2 tot 1). 

naar boven naar boven

Symptomen

  • Vermoeidheid door de anemie die wordt veroorzaakt door de verhoogde afbraak van rode bloedcellen
  • Hemoglobinurie
  • Infecties door een gebrekkige aanmaak in het beenmerg van goed functionerende witte bloedcellen
  • Pijn in de buik door klontering van bloedplaatjes die tot stolsels in de aderen van de lever of maag leiden (Budd-Chiari syndroom)
  • Hoofdpijn door stolsels in de hersenen

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese 
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek. Een hemolytische anemie kan worden aangetoond via de volgende onderzoeken:
    • Volledig bloedbeeld om de aard en ernst van de anemie vast te stellen
    • Reticulocyten telling. Dit geeft een indicatie van het tempo waarmee het beenmerg nieuwe rode bloedcellen aanmaakt. Reticulocyten zijn onrijpe rode bloedcellen die normaal gesproken nog niet in de bloedbaan voorkomen. Meestal is het aantal reticulocyten bij een hemolytische anemie verhoogd omdat door het tekort aan rode bloedcellen in het bloed, de voorlopers in het beenmerg niet de tijd krijgen om uit te rijpen.
    • Bloeduitstrijkje. Bij sommige vormen van hemolytische anemie zijn onder de microscoop abnormaal gevormde rode bloedcellen te zien. Het bloeduitstrijkje dient dan ook om andere vormen van hemolytische anemieën uit te kunnen sluiten.
    • Directe antiglobuline test (DAT) vroeger de Coombs' test genoemd. De DAT meet de aanwezigheid van antistoffen op de rode bloedcel. Omdat PNH geen auto-immuunziekte is, zal de DAT negatief zijn.
    • Haptoglobine, bilirubine en onderzoek naar de leverfunctie. Wanneer de rode bloedcellen worden afgebroken, probeert het lichaam het ijzer uit de afgebroken rode bloedcellen te behouden door het te binden aan een ander eiwit: haptoglobine. Een laag haptoglobine gehalte in het bloed kan dus een indicatie zijn voor een verhoogde afbraak van rode bloedcellen. Bilirubine is een bij-product van de afbraak van hemoglobine, maar kan ook ontstaan bij lever of galblaas aandoeningen. Bilirubine kan de ogen en huid geel kleuren.
    • PNH test. Dit is de meest gevoelige en specifieke test om de diagnose PNH te stellen. Door middel van flowcytometrie kan het ontbreken van specifieke ankereiwitten in de celwand van rode en witte bloedcellen worden aangetoond.

Vooruitzichten

 

naar boven naar boven

Behandeling

  • De enige behandeling die de ziekte kan genezen, is een allogene stamceltransplantatie.
  • Door de afbraak van de rode bloedcellen en ijzerverlies via de urine kan ijzergebrek ontstaan. In geval van ernstige hemolyse en transfusieafhankelijkheid komt behandeling met eculizumab in aanmerking.
  • Het nut van preventief geven van tromboseprofylaxe (om een trombose te voorkómen) is niet bewezen
  • Na een trombose, is levenslang antistollings-medicatie nodig

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.aaenpnh.nl (Stichting AA & PNH / Contactgroep AA & PNH)

naar boven naar boven

 

Auto immuun hemolytische anemieen


Wat is een auto immuun hemolytische anemie?

Bij een autoimmuun hemolytische anemie vernietigt het afweersysteem van het lichaam de rode bloedcellen. Dit kan ook voorkomen bij het gebruik van bepaalde geneesmiddelen. In zeldzame gevallen kan dit ook leiden tot vorming van afweerstoffen tegen rode bloedcellen.

Auto immuun hemolytische anemie (AIHA)

Bij de autoimmuun hemolytische anemie (AIHA), produceert een patiënt ten onrechte antistoffen tegen de eigen rode bloedcellen (auto = zelf; immuun = afweer). De met antistoffen beladen rode bloedcellen worden vervolgens vernietigd in de bloedbaan (door de antistof zelf) of doordat ze worden weggevangen door de lever en milt. De oorzaak van AIHA is onbekend. Wel kan een persoon na bepaalde ziekten of infecties meer kans op het ontwikkelen van AIHA hebben. Dit zijn bijvoorbeeld: chronische lymfatische leukemie, non-Hodgkin lymfoom, bloedkanker en andere vormen van kanker. Maar ook bij Epstein-Barr virus infectie, cytomegalovirus infectie, mycoplasma pneumonie (een longinfectie), hepatitis (ontstekingen aan de lever) en humaan immunodeficiëntie virus (HIV). De aandoening kan zeer snel optreden en ernstige vormen aannemen.

Sommige typen AIHA produceren zogenaamde warmte-antilichamen. Dit betekent dat de antilichamen actief worden (en dan dus bloedcellen gaan vernietigen) bij hogere temperaturen, zoals lichaamstemperatuur.  Bij een ander type AIHA produceert het lichaam "koude-antilichamen"(wat betekent dat ze actief worden bij blootstelling aan koudere temperaturen). Koude-antilichamen kunnen actief worden wanneer het lichaam (meestal de handen of voeten) wordt blootgesteld aan temperaturen van minder dan 0 -  10 graden Celsius).  Warmte-reactieve antilichamen AIHA komen vaker voor dan koude-reactieve antilichamen AIHA.

Hemolytische anemie veroorzaakt door geneesmiddelen

Ook in reactie op het gebruik van bepaalde geneesmiddelen kunnen antistoffen worden aangemaakt die een hemolytische reactie veroorzaken. Deze geneesmiddelen zijn onder andere hoge doses van penicilline en aanverwante geneesmiddelen, kinine en andere geneesmiddelen voor de behandeling van malaria en bepaalde ontstekingremmende geneesmiddelen. Door te stoppen met het gebruik van de geneesmiddelen zal de afbraak van de rode bloedcellen stoppen en zullen de symptomen verdwijnen

naar boven naar boven

Symptomen

Symptomen worden veroorzaakt door de te lage aantallen bloedcellen:

  • vermoeidheid, kortademigheid, zwakte en bleekheid door een laag aantal rode bloedcellen
  • gele verkleuring van de huid en het oogwit door het afvalproduct van hemoglobine: bilirubine
  • frequente of ernstige infecties door lage aantallen witte bloedcellen
  • verhoogde kans op bloedingen (blauwe plekken en kleine rode vlekken onder de huid (petechiën) of bloedingen die moeilijk te stelpen zijn) door lage aantallen bloedplaatjes

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese 
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek. Een hemolytische anemie kan worden aangetoond via de volgende onderzoeken:
    • Volledig bloedbeeld om de aard en ernst van de anemie vast te stellen
    • Reticulocyten telling. Dit geeft een indicatie van het tempo waarmee het beenmerg nieuwe rode bloedcellen aanmaakt. Reticulocyten zijn onrijpe rode bloedcellen die normaal gesproken nog niet in de bloedbaan voorkomen. Meestal is het aantal reticulocyten bij een hemolytische anemie verhoogd omdat door het tekort aan rode bloedcellen in het bloed, de voorlopers in het beenmerg niet de tijd krijgen om uit te rijpen
    • Directe antiglobuline test (DAT) vroeger de Coombs test genoemd. De DAT meet de aanwezigheid van antistoffen op de rode bloedcel.
    • Haptoglobine, bilirubine en onderzoek naar de leverfunctie. Wanneer de rode bloedcellen worden afgebroken, probeert het lichaam het ijzer uit de afgebroken rode bloedcellen te behouden, door het te binden aan een ander eiwit: haptoglobine. Een laag haptoglobine gehalte in het bloed kan dus een indicatie zijn voor een verhoogde afbraak van rode bloedcellen. Bilirubine is een bij-product van de afbraak van hemoglobine, maar kan ook ontstaan bij lever of galblaas aandoeningen. Bilirubine kan de ogen en huid geel kleuren.
    • Onderzoek om niet-hemolytische oorzaken van de bloedarmoede uit te sluiten zoals, nierfalen, loodvergiftiging, lage vitamine niveaus (vitamine B12, vitamine C of foliumzuur) of ijzergebrek

naar boven naar boven

Vooruitzichten

naar boven naar boven

Behandeling

Als de symptomen mild zijn is vaak geen behandeling nodig is. Als de hemolyse toeneemt en meer rode bloedcellen worden vernietigd kan worden gekozen voor behandeling met:

  • Prednison. Dit geneesmiddel remt de werking van de B-cellen en daarmee de aanmaak van antistoffen. Ook remt Prednison het wegvangen van de rode bloedcellen door de milt.
  • Plasmaferese. Via deze methode worden antistoffen uit de bloedbaan gefilterd. Dit werkt alleen goed bij koude antistoffen.
  • Splenectomie (het operatief verwijderen van de milt).
  • Rituximab. Dit geneesmiddel doodt de B-lymfocyten die verantwoordelijk zijn voor de aanmaak van auto-antistoffen.
  • Azathioprine/cyclofosfamide. Deze geneesmiddelen onderdrukken het immuunsysteem en daarmee de vorming van autoantistoffen.
  • Is er sprake van een onderliggende ziekte dan zal deze uiteraard worden behandeld.

Wanneer door de hemolyse ernstige bloedarmoede ontstaat, kan een bloedtransfusie nodig zijn. 

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

Nog in een experimentele fase verkeert het onderzoek waarbij wordt gekeken naar middelen die de activiteit van bepaalde eiwitten (complement factoren die naast de autoantilichamen verantwoordelijk zijn voor de afbraak van de rode bloedcellen) kunnen remmen.

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

https://bloedziekten.nl/aiha (Stichting Zeldzame Bloedziekten)

naar boven naar boven

 

 

Hemofilie


Wat is hemofilie?

Hemofilie of “bloederziekte” is een erfelijke aandoening waarbij bloedingen in spieren en gewrichten optreden door een tekort aan stollingsfactoren. Er bestaan twee typen hemofilie: hemofilie A en hemofilie B.

Hemofilie A wordt veroorzaakt door een tekort (= deficiëntie) aan factor VIII , hemofilie B door een tekort aan factor IX. Hemofilie A komt 5 maal meer voor dan hemofilie B. De ernst van hemofilie kan variëren van ernstig, matige ernstig en mild. Dit wordt bepaald door de hoeveelheid factor VIII of IX die in het bloed aanwezig is.

Hemofilie is een geslachtsgebonden aandoening die van ouder op kind wordt doorgegeven. Omdat de factor VIII en IX genen op het X-chromosoom zijn gelegen, treft de ziekte vrijwel uitsluitend mannen. Vrouwen zijn draagster van de ziekte, maar kunnen ook een verlaagd stollingsfactor gehalte hebben met bloedingsproblemen (zie schema 1 - erfelijkheid). In Nederland zijn ongeveer 1600 hemofilie patiënten.

Lees meer over het ga naarproces van de bloedstolling.

Overige stollingsfactor-deficiënties 

In tegenstelling tot hemofilie A en B zijn de overige aandoeningen waarbij een stollingsfactor ontbreekt niet-geslachtsgebonden maar autosomaal (zie onderstaand overzicht). Deze stollingsfactor tekorten zijn zeer zeldzaam.

 

Stollingsfactor deficiënties

Ontbrekende of defecte stollingsfactor

 Erfelijkheid

Factor I (fibrogeen)-deficiëntie is de term die wordt gebruikt voor verschillende zeldzame stollingsaandoeningen: afibrinogenemie (een volledig ontbreken van fibrinogeen); hypofibrinogenemie (lage niveaus van fibrinogeen) en dysfibrinogenemie (slecht functionerend fibrinogeen)

Een zeer zeldzame stollingsziekte. Afibrinogenemie en hypofibrinogenemie zijn autosomaal recessief; dysfibrinogenemie is autosomaal dominant.  Het gen ligt op chromosoom 4.

Factor II (protrombine)-deficiëntie.

Een zeer zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte

Factor V (proaccelerine)-deficiëntie

Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 1.

Factor VII  (proconvertin)-deficiëntie. Factor VII-deficiëntie kan ook worden veroorzaakt door een leverziekte of vitamine K gebrek.

Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 13.

Factor X deficiëntie

Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte. Het gen ligt op chromosoom 13.

Factor XI (plasma tromboplastinetijd antecedent)-deficiëntie staat ook bekend als hemofilie C. Het verschilt van hemofilie A of B in dat er zich geen bloedingen in gewrichten en spieren voordoen. 

Na van Willebrand ziekte, de meest voorkomende autosomaal dominante stollingsstoornis. Factor XI deficiëntie komt bij alle rassen voor, maar vooral voor bij joden van Oost-Europese afkomst. Het gen ligt op chromosoom 4. Werd vroeger Hemofilie C genoemd.

Factor XIII (fibrine stabiliserende factor)-deficiëntie

Een zeldzame autosomaal recessieve stollingsziekte.

naar boven naar boven

Schema 1 - Erfelijkheid

Geslachtsgebonden overerving

De chromosomen die iemands geslacht bepalen zijn het X- en Y-chromosoom. Mannen hebben één X- en één Y-chromosoom; vrouwen hebben twee X-chromosomen. De genen voor hemofilie A en B bevinden zich op het X-chromosoom. Omdat mannen slechts één X-chromosoom bezitten, hebben zij hemofilie wanneer zij één gen daarvoor erven (situatie A, B en C). Omdat vrouwen twee X-chromosomen bezitten, zal het X-chromosoom waarop zich níet het (afwijkende) hemofilie gen bevindt, de functie van het andere X-chromosoom overnemen en zo zal meestal voldoende functionerende stollingsfactor worden geproduceerd, maar kunnen ook een verlaagde hoeveelheid stollingsfactor in het bloed hebben. Vrouwen die één defect hemofilie-gen bezitten, heten draagsters en zij kunnen de ziekte doorgeven aan hun kinderen (situatie A en B).

In het uiterst zeldzame geval dat de vader hemofilie heeft en de moeder drager is, kan ook de dochter getroffen worden door een ernstige vorm van hemofilie (situatie B).

Meestal komt hemofilie al in de familie voor, maar in ongeveer 30% van de gevallen is er geen patiënt in de familie bekend. Er is dan meestal sprake van een spontane verandering (mutatie) in het factor VIII of IX gen van de moeder opgetreden.

Symptomen

De symptomen van hemofilie A en B zijn afhankelijk van de ernst van de aandoeningen en voor beide typen identiek:

  • Grote blauwe plekken
  • Bloedingen in spieren en gewrichten, vooral de knieën, elleboog, en enkels
  • Spontane bloedingen (zonder duidelijke oorzaak)
  • Langdurig nabloeden bij verwondingen, tandheelkundige ingrepen of operaties
  • Ernstige interne bloedingen in vitale organen na een ernstig ongeval
  • Hersenbloedingen

naar boven naar boven

Diagnose

De diagnose wordt als volgt gesteld:

  • Anamnese. Hierbij wordt gelet op bloedingen, zowel direct na de geboorte, gewrichts en spierbloedingen en bloedingen na operaties (amandeloperatie) en kiesextracties. Ook wordt gelet op stollingsstoornissen in de familie.
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek van een bloedmonster. Hemofilie A wordt gediagnosticeerd door het testen van het niveau van factor VIII activiteit in het bloed. Hemofilie B wordt gediagnosticeerd door het meten van het niveau van de factor IX-activiteit
  • Prenatale diagnose. Als de moeder draagster is, kan het ongeboren kind (zwangerschap 9 - 11 weken) worden onderzocht via een vlokkentest (= chorion villus test (CVS)) of door bij de foetus wat bloed af te nemen in een later stadium van de zwangerschap (zwangerschap van 18 weken of meer). Over het algemeen wordt dit alleen verricht bij ernstige hemofilie. Tegenwoordig kan ook een geslachtsbepaling worden verricht vroeg in de zwangerschap door bloed af te nemen bij moeder (Y-PCR). Hiermee is zeer nauwkeurig het geslacht van het kindje te bepalen en kunnen in geval van een meisje, verdere onderzoeken achterwege blijven.

naar boven naar boven

Vooruitzichten

De ernst van hemofilie wordt bepaald door de stollingsactiviteit van het factor VIII of factor IX in het bloed. Er worden drie niveaus onderscheiden: licht, matig en ernstig (zie tabel 1).  

Met een tijdige en goede behandeling en verzorging, hebben hemofiliepatiënten een normale levensverwachting.Patiënten met ernstige hemofilie hebben het meeste last van de ziekte. Zij krijgen vaak spontaan bloedingen in de spieren en/of gewrichten. Dit leidt uiteindelijk tot ernstige gewrichtsschade en invaliditeit. De meeste patiënten met ernstige hemofilie gebruiken ter voorkoming van bloedingen stollingsfactoren (profylaxe). Hiervoor injecteren de ouders of de patiënten zelf 2 tot 3 keer per week stollingsfactoren in een bloedvat in de arm.

naar boven naar boven

Tabel 1 - Hemofilie niveau

Niveau

Stollingsactiviteit van het bloed

 Symptomen

normaal

 50 - 150% 

licht

 5 - 40%

Bloedingen na chirurgische ingrepen of ernstige ongevallen

matig

 1 - 5%

Bloedingen meestal na een verwonding of spontaan; hooguit één maal per maand

ernstig

 minder dan 1%

Spontane bloedingen in spieren en gewrichten; vaak meerdere bloedingen per week

Behandeling

Hemofilie wordt behandeld door de ontbrekende stollingsfactor in het bloed te injecteren. De behandeling van hemofilie vindt in Nederland plaats in een van de dertien hemofilie behandelcentra. Ook draagsters met een laag stollingsfactor gehalte (minder dan 50%), of zwangere draagsters dienen in een hemofiliebehandelcentrum te worden behandeld en geadviseerd. Aan de hemofiliebehandelcentra zijn naast een arts ook gespecialiseerde verpleegkundigen, fysiotherapeuten en andere zorgverleners met kennis van hemofilie verbonden (zie tabel 2 met de lijst voor hemofilie behandelcentra).

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

Er zijn veel ontwikkelingen in de hemofiliezorg te verwachten in de komende jaren. Inmiddels zijn stollingsfactoren ontwikkeld die langer in het bloed circuleren en daardoor minder vaak hoeven te worden toegediend. Zo kunnen patiënten in plaats van drie keer per week, één keer in de week prikken. Hier worden nu de eerste onderzoeken mee gedaan. Ook is er veel laboratoriumonderzoek gaande naar gentherapie. Hierbij wordt een nieuw gen geïntroduceerd in het lichaam en worden zo stollingsfactoren aangemaakt. In dierproeven blijken deze technieken goed te werken, maar het zal nog lange tijd duren voordat het in mens toepasbaar is.

naar boven naar boven

 

Tabel 2 - Hemofilie behandelcentra
Plaats
Ziekenhuis
Doelgroep
Amsterdam
Emma kinderziekenhuis AMC       &      Academisch Medisch Centrum
Kinderen en volwassenen
Den Haag
HagaZiekenhuis, locatie Leyenburg
Volwassenen
Eindhoven
Catharina-ziekenhuis (kinderen)     &    Máxima Medisch Centrum (volwassenen)
Kinderen en volwassenen
Groningen
Beatrix kinderkliniek    &     Universitair Medisch Centrum Groningen
Kinderen en volwassenen
Leiden
Leids Universitair Medisch Centrum
Kinderen en volwassenen
Maastricht
Academisch Ziekenhuis Maastricht
Kinderen en volwassenen
Nijmegen
Radboudumc
Kinderen en volwassenen
Rotterdam
Erasmus MC-Sophia (kinderen)      &     Erasmus MC centrum lokatie (volwassenen)
Kinderen en volwassenen
Utrecht
Universitair Medisch Centrum Utrecht, Van Creveldkliniek-Hematologie
Kinderen en volwassenen

Patiëntenorganisatie

 

 

www.nvhp.nl (Nederlandse vereniging voor hemofiliepatiënten). De patiëntenorganisatie heeft uitgebreide brochures beschikbaar over de ziekte, erfelijkheid en de behandeling.

naar boven naar boven

Ziekte van Von Willebrand (VWD)


Wat is de ziekte van von Willebrand?

De ziekte van von Willebrand (of "VWD") is de meest voorkomende erfelijke stollingsstoornis. Door een tekort aan het stollingseiwit Von Willebrand factor (vWF), stolt het bloed moeilijker en zullen bloedingen langer aanhouden. Veel patiënten ondervinden weinig last van de aandoening, echter bij ernstig letsel of chirurgische ingrepen dient men waakzaam te zijn.

Ongeveer 1% van de bevolking heeft een tekort aan VWF. Bij ongeveer 1:1000 mensen treden bloedingen op. Er worden drie erfelijke typen VWD onderscheiden:

  • Type 1 VWD is de meest voorkomende vorm (75% van de gevallen). Patiënten met type 1 VWD hebben een lager dan normaal vWF stollingsfactor niveau. Het is een autosomaal dominante afwijking.
  • Type 2 VWD wordt veroorzaakt doordat er een verminderde werkzaamheid is van VWF. Het vWF eiwit werkt niet goed, waardoor de stollingsactiviteit lager is dan normaal. Het is een autosomaal dominante afwijking
  • Type 3 VWD is de meest ernstige maar ook zeer zeldzame vorm. Deze patiënten hebben geen vWF in het bloed. Het is een autosomaal recessieve afwijking

VWD wordt dus autosomaal dominant of autosomaal recessief  doorgegeven aan het kind (zie schema 1 - erfelijkheid). Soms treedt VWD op als gevolg van een spontane verandering in de VWD-gen voordat de baby wordt geboren. De overerving in families is niet altijd duidelijk omdat de expressie (uiting) van de ziekte niet bij iedereen hetzelfde is.

Lees meer over het ga naarproces van de bloedstolling.

Schema 1 - Erfelijkheid

De ziekte van Von Willebrand is een autosomaal dominante (figuur 1) en soms - in het geval van type 3 VWD - een autosomaal recessieve aandoening (figuur 2).

Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven.

Type 1 en 2 VWD zijn dominante aandoeningen wat betekent dat het bezit van één defect gen (= heterozygoot) voldoende is om de ziekte te krijgen.

figuur 1

Erfelijkheid vWD

Een recessieve aandoening komt alleen tot uitdrukking wanneer men van beide ouders het defecte gen heeft geërfd. Wordt slechts door één ouder een defect gen doorgegeven, dan zal het kind drager zijn van de aandoening.

figuur 2

Erfelijkheid vWD

naar boven naar boven

Symptomen

Soms hebben mensen met VWD weinig of geen symptomen, soms wordt VWD dan ook bij toeval ontdekt wanneer na een ernstig ongeval of een tandheelkundige of chirurgische ingreep er zware bloedingen optreden.Ook kan de ziekte worden vastgesteld als bij een familielid de ziekte is gevonden. Anderen hebben veel bloedingsproblemen, zoals frequente en lang durende neusbloedingen, overmatige menstruatie en grote blauwe plekken.

De symptomen die kunnen optreden zijn:

  • Snel blauwe plekken ontwikkelen
  • Neus- en tandvleesbloedingen
  • Bloedingen na een operatie, besnijdenis, of tandheelkundige behandeling
  • Bloedingen in urinewegen of maag-darm kanaal
  • Zware of langdurige menstruaties (menorragie) of bloedingen na de bevalling

naar boven naar boven

Diagnose

De diagnose wordt als volgt gesteld:

  • Anamnese. Hierbij wordt met name gelet op slijmvliesgerelateerde bloedingen, zoals bloedingen in de mond- en keelholte, neusbloedingen, overvloedige menstruatie en maag-darm bloedingen. Ook wordt gelet op stollingsstoornissen in de familie.
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek van een bloedmonster. Hierbij wordt de hoeveelheid en werkzaamheid van VWF gemeten in bloed. Aanvullend dienen onderzoeken plaats te vinden om het type vWD vast te stellen

naar boven naar boven

Prognose

Met een tijdige en goede behandeling en verzorging, hebben patiënten een normale levensverwachting.

naar boven naar boven

Behandeling

De behandeling is ten dele afhankelijk van de aard van VWD. Mensen met een milde vorm van VWD hebben vaak geen behandeling nodig, behalve in het geval van chirurgische of tandheelkundige ingrepen. VWD kan worden behandeld met het synthetisch stollingsfactor concentraat desmopressine of met VWF/Factor VIII concentraten die worden bereid uit het plasma van bloeddonoren. Daarnaast kunnen antifibrinolytica (tranexaminezuur, Cyklokapron®)worden gegeven. Dit middel voorkomt dat bloedstolsels oplossen.

De behandeling van patiënten met matig-ernstige en ernstige von Willebrand ziekte, die afhankelijk zijn van stollingsfactor producten vindt in Nederland plaats in een van de hemofilie behandelcentra, of onder verantwoordelijkheid van een van die centra. Aan de hemofilie behandelcentra zijn naast een arts ook gespecialiseerde verpleegkundigen, fysiotherapeuten en andere zorgverleners met kennis van hemofilie en von Willebrand ziekte verbonden. (lijst behandelcentra).

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

Er is recent een nieuw von Willebrand factor concentraat ontwikkeld via zogenaamde recombinante DNA technieken. Op dit moment wordt het  middel wetenschappelijk onderzocht. Het zal pas over enkele jaren voor patiënten beschikbaar zijn

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.nvhp.nl (Nederlandse Vereniging voor HemofiliePatiënten). De patiëntenorganisatie heeft uitgebreide brochures beschikbaar over de ziekte, erfelijkheid en de behandeling.

naar boven naar boven

Ziekte van Glanzmann


Wat is de ziekte van Glanzmann?

De ziekte van Glanzmann (Glanzmann trombastenie) is een erfelijke aandoening veroorzaakt door een afwijking in de bloedplaatjes. Bloedplaatjes (trombocyten) zorgen voor de eerste bloedstelping zodra een wondje optreedt. Bij een tekort aan bloedplaatjes of niet goed werkzame bloedplaatjes, kunnen bloedingen optreden na trauma, na operaties en ingrepen of zelfs spontaan. Bij de ziekte van Glanzmann ontbreekt een van de eiwitten (glycoproteïne) dat zich op het oppervlakte van de bloedplaatjes bevindt. Deze glycoproteinen zorgen ervoor dat bij een verwonding de bloedplaatjes aan elkaar kleven en een stolsel ontstaat. Bij de ziekte van Glanzmann zullen door het ontbreken van goed functionerende bloedplaatjes, bloedingen moeilijk te stelpen zijn.

Glanzmann trombastenie is een autosomaal recessieve aandoening, wat betekent dat beide ouders het abnormale gen aan hun kinderen moeten hebben doorgegeven om de ziekte te krijgen. De ouders zelf kunnen drager zijn en geen symptomen van de ziekte vertonen. Zowel mannen als vrouwen kunnen de ziekte van hun ouders erven.

Lees meer over het ga naarproces van de bloedstolling.

naar boven naar boven

Schema 1 - Erfelijkheid

De ziekte van Glanzmann is een autosomaal recessieve aandoeningen. Autosomaal betekent dat het een niet-geslachtsgebonden aandoening is. Mannen en vrouwen hebben beiden evenveel kans om de ziekte van hun ouders te erven. Recessief betekent dat betekent dat beide ouders drager moeten zijn van het defecte gen om de ziekte aan hun kind door te kunnen geven. Erfelijkheid Glanzmann

Symptomen

De symptomen van de ziekte van Glanzmann worden meestal in de kindertijd voor het eerst opgemerkt. De bloedingen die optreden kunnen van patiënt tot patiënt verschillen en zeer mild tot potentieel levensbedreigend zijn:

  • Snel blauwe plekken ontwikkelen
  • Neus- en tandvleesbloedingen
  • Bloedingen na een operatie, besnijdenis, of tandheelkundige behandeling
  • Bloedingen in urinewegen of maag-darm kanaal
  • Zware of langdurige menstruaties (menorragie) of bloedingen na de bevalling
  • Hersenbloeding

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese. Hierbij wordt met name gelet op slijmvliesgerelateerde bloedingen, zoals bloedingen in de mond- en keelholte, neusbloedingen, overvloedige menstruatie en maag-darm bloedingen. Ook wordt gelet op stollingsstoornissen in de familie.
  • Lichamelijk onderzoek
  • Laboratoriumonderzoek. De diagnose wordt geteld aan de hand van een aantal specifieke testen in het laboratorium naar de werkzaamheid van de bloedplaatjes.. De diagnose van de trombocytenfunctie aandoeningen vereist een zorgvuldige anamnese en een reeks testen die de wijze en snelheid van bloedstolling meten.

naar boven naar boven

Vooruitzichten

De ziekte is goed te behandelen mits de diagnose gesteld wordt en rondom ingrepen en bij ernstige bloedingen een goede therapie wordt gegeven.

naar boven naar boven

Behandeling

Behandeling zal vooral nodig zijn voor operaties, tandheelkundige ingrepen en ongevallen en bestaat uit:

  • Recombinant factor VIIa dat ervoor zorgt dat het bloed stolt op de plaats van de bloeding als de eigen stollingsfactoren van het lichaam niet werken
  • Transfusies met bloedplaatjes
  • Hormonale anticonceptie (bij sterke menstruaties)

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

Vooralsnog zal de behandeling bestaan uit de toediening van bloedplaatjes van bloeddonoren. Recent is recombinant Factor VIIa geregistreerd voor de behandeling van deze zeldzame ziekte. 

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.nvhp.nl (Nederlandse Vereniging voor HemofiliePatiënten). De patiëntenorganisatie heeft uitgebreide brochures beschikbaar over de ziekte, erfelijkheid en de behandeling.

naar boven naar boven

ITP


Wat is ITP?

Immuun Trombopenie (ITP) is een auto-immuunziekte, waarbij patiënten antistoffen aanmaken die zich hechten aan het oppervlak van hun eigen bloedplaatjes (auto-antistoffen). Dit leidt tot een versnelde afbraak in de milt en - in mindere mate - de lever. Ook is de aanmaak vann bloedplaatjes in het beenmerg vaak onvoldoende om de tekorten aan te vullen. Er ontstaat een tekort aan bloedplaatjes (=trombocytopenie). Omdat bloedplaatjes betrokken zijn bij de bloedstolling, is er bij een tekort een verhoogde kans op bloedingen.

Het aantal personen in Nederland met ITP wordt geschat op ongeveer 2 - 3 op de 100.000 mensen. Bij volwassenen, lijden ongeveer 1,5 tot 2 maal meer vrouwen dan mannen aan de ziekte. Bij kinderen is de verhouding ongeveer gelijk. De ziekte komt voor in alle leeftijds- en etnische groepen. De naam ITP is als volgt samengesteld:

  • imuun = door een afweerstoornis veroorzaakt
  • trombo(cyto)penie= tekort aan bloedplaatjes

De oorzaak van het ontstaan van ITP is gelegen in een afweerstoornis waarbij het lichaam zonder duidelijke oorzaak bloedplaatjes gaat afstoten/afbreken. Daarom wordt deze ziekte Immuun Trombopenie genoemd. Infecties of een zwangerschap kunnen wel het ontstaan van ITP in gang zetten.

Er zijn drie vormen van ITP, de acute, de persisterende en de chronische vorm. De acute vorm duurt per definitie korter dan 3 maanden en komt vooral voor bij kinderen tussen de 2 en 8 jaar en is in de meeste gevallen van voorbijgaande aard. Het komt bij jongens even vaak voor als bij meisjes. Vaak gaat het om vooraf gezonde kinderen waarbij plotseling blauwe plekken ontstaan en/of neusbloedingen optreden, na een infectie. Soms gaat de acute vorm over in de chronische vorm. Als de ziekte tussen de 3 en 12 maanden bestaat wordt het persisterende ITP genoemd. Als de ITP meer dan 12 maanden bestaat wordt het chronische ITP genoemd. De chronische vorm komt vooral voor bij volwassen. Zoals bij de meeste auto-immuun aandoeningen, treedt het vaker op bij vrouwen dan bij mannen.
30 % van de chronische ITP patiënten heeft reeds een andere auto-immuun aandoening, zoals een schildklieraandoening of reuma.

ITP = Immuun Trombopenie = AITP = Auto immuun trombocytopenische purpura = Ziekte van Werlhof.

naar boven naar boven

Symptomen

Bloedplaatjes zijn de celelementen die een belangrijke rol spelen bij bloedstolling. Ze ontstaan in het beenmerg uit voorlopercellen (zogenaamde megakaryocyten). Voor de aanmaak is een bloed hormoon nodig: trombopoietine, afgekort TPO. Bij een verwonding of andere bloeding vormen bloedplaatjes een stolsel samen met een ingewikkeld systeem van eiwitten uit het bloed (de stollings factoren). Daardoor kan de bloeding gestopt worden. Normaal is het aantal bloedplaatjes 150 tot 450 miljard per liter bloed. Bij ITP is dit aantal verlaagd tot onder de 100 miljard. Symptomen ontstaan meestal pas bij een sterk afgenomen aantal bloedplaatsjes tot bijvoorbeeld 10 miljard per liter en kunnen bestaan uit:

  • blauwe plekken of puntbloedingen (petechiën)
  • slijmvliesbloedingen (tandvlees en neus)
  • ernstige bloedingen: maag/darm bloedingen, longbloedingen of hersenbloedingen. Deze treden slechts sporadisch op. 

naar boven naar boven

Diagnose

Omdat er veel oorzaken bestaan voor een tekort aan bloedplaatjes, zijn de onderzoeken er op gericht andere oorzaken uit te sluiten:

  • Anamnese: aanvang en ernst van de bloedingsneiging. Andere ziekte verschijnselen, medicatie gebruik.
  • Lichamelijk onderzoek(vaststellen van de ernst van de bloedingen)
  • Laboratoriumonderzoek van bloed en urine: onder andere een compleet bloedbeeld, onderzoek van het bloedserum op de aanwezigheid van virussen en auto-immuunziekten, stollingsonderzoek, schildklieronderzoek etc.
  • Onderzoek naar de maaginfectie door Helicobacter Pylori.
  • Eventueel een echo of scan van de milt
  • Beenmergonderzoek is alleen nodig in de volgende situaties:
    • bij twijfel aan diagnose
    • wanneer de patiënt niet reageert op therapie
    • vóór verwijdering van de milt
    • voor en soms tijdens de behandeling met TPO-receptor agonisten (Romiplosstim of Eltrombopag)

naar boven naar boven

Vooruitzichten

Wanneer geen behandeling noodzakelijk is (wanneer geen bloedingen vóórkomen en het aantal trombocyten hoger dan 30 miljard/liter bloed blijft) hebben patiënten met ITP een normale levensverwachting.

naar boven naar boven

Het syndroom van Evans

Het Evans syndroom is een combinatie van een auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) en ITP. In sommige gevallen hebben patiënten tevens een auto-immuun neutropenie.

De oorzaak is in de helft van de gevallen onbekend. Vaak wordt het gezien in relatie met bijvoorbeeld SLE, lymfoproliferatieve afwijkingen of aandoeningen waarbij geen, of te weinig, gammaglobuline wordt aangemaakt. Ook na een allogene stamceltransplantatie wordt het syndroom soms waargenomen.

De aandoening komt zowel bij kinderen als volwassenen voor.

Patiënten reageren vaak minder goed op de standaardbehandeling dan wanneer er alleen sprake is van AIHA of van ITP.

Behandeling

Er is geen standaardbehandeling van ITP. De keuze om te gaan behandelen is afhankelijk van een aantal factoren:

  • leeftijd, algemene gezondheid, medische geschiedenis van de patiënt;
  • de omvang van de ziekte, de ernst van de bloedingen. Hierbij is het aantal bloedplaatjes van belang:
    • meer dan 50 miljard/liter bloed geen behandeling;
    • tussen de 30-50 miljard/liter bloed: behandeling alleen als er (slijmvlies) bloedingen zijn of ingrepen moeten plaatsvinden
    • minder dan 20-30 miljard/literbloed: Behandeling kan ingesteld worden, ook zonder duidelijke bloedingsneiging afhankelijk van de klinische of sociale situatie van de patiënt. Vaak wordt behandeld als de klinische symptomen daartoe aanleiding geven. Soms wordt pas bij een aantal bloedplaatjes lager dan 10 miljard/liter bloed begonnen met een behandeling.
  • tolerantie voor specifieke medicijnen, procedures, of therapieën en voorkeuren van de patiënt;
  • verwachtingen voor het verloop van de ziekte.

Eerstelijns behandeling

Behandeling vindt in eerste instantie plaats met:

  • corticosteroïden. Corticosteroïden remmen de afbraak van de bloedplaatjes. Voorbeelden zijn dexamethason/(methyl) prednisolon. (Prednison in combinatie met andere immuunsuppressie medicatie zoals bijvoorbeeld azathioprine worden vaak gegeven om de dosering van corticosteroiden te minimaliseren maar behoren eigenlijk niet tot de eerstelijns behandeling). De werking van corticosteroïden begint afhankelijk van dosis en vorm (methylprednison/ dexamethason) sneller dan prednisolon: tussen de 1-7 dagen.
  • een infuus met gamma-globuline ("IVIg"). Intraveneus gamma-globuline is een eiwit dat veel antilichamen bevat en de afbraak van bloedplaatjes vertraagt. Het werkt sneller dan steroïden (binnen 24 tot 48 uur) en wordt dus voornamelijk in acute situaties gegeven.
  • Aan Rhesus-D-positieve patiënten die nog geen splenectomie hebben ondergaan, kan anti D worden gegeven (een injectie met Anti D kan het aantal bloedplaatjes tijdelijk verhogen)

Tweedelijns behandeling

Als de ziekte terug komt na een eerstelijns behandeling (=recidief) komt in eerste instantie verwijdering van de milt aan de orde (de milt vangt bloedplaatjes weg, verwijdering betekent dat de bloedplaatjes langer in het lichaam blijven circuleren).

Tweede Recidief

Er kan worden overwogen worden een behandeling met Romoplostim (Nplate) of Eltrombopag (Revolade) te starten (zie "nieuwe ontwikkelingen"). Andere mogelijkheden zijn medicijnen zoals Azathioprine (Imuran) en Cyclofosfamide (Endoxan). Dit zijn middelen die een sterk remmende invloed hebben op de afweerfunctie van het lichaam. De respons op ITP is wisselend, maar sommige patiënten kunnen er langdurig baat bij hebben. Ook kan Danazol gegeven worden. Dit is een hormoon met milde mannelijke werking, dat de aanmaak van bloedcellen, waaronder bloedplaatjes, stimuleert. 

Zwangerschap en ITP

Over het algemeen worden dezelfde richtlijnen gehanteerd als bij ITP zonder zwangerschap: pas behandelen wanneer het aantal trombocyten minder dan 30 miljard/liter is, of bij bloedingen. Rond de bevalling moet het aantal trombocyten het liefst groter zijn dan 50 miljard/liter. Tijdens het 1e en 2e trimester worden corticosteroïden voorgeschreven (wanneer de behandeling niet aanslaat of corticosteroïden niet kunnen worden gegeven: intraveneus gamma-globuline). Tijdens het 3e trimester wordt bij voorkeur intraveneus gamma-globuline gegeven.

Bij de pasgeborene wordt direct na de geboorte én na 3-4 én 9-10 dagen het aantal bloedplaatjes gemeten.

Er zijn geen bezwaren tegen het geven van borstvoeding.

naar boven naar boven

Nieuwe Ontwikkelingen

Elders op deze website staat een overzicht van alle lopende hematologische ga naar studies (trials) in Nederland. 

Rituximab

Bij het ontstaan van autoantistoffen spelen lymfocyten (type witte bloedcellen) een belangrijke rol. Ruwweg kunnen 2 soorten lymfocyten worden onderscheiden, de B-lymfocyten en de T-lymfocyten. Zowel B- als T-lymfocyten spelen bij het ontstaan van ITP een rol. Beïnvloeding van de functie van deze cellen kan de productie van autoantistoffen verminderen en zo het aantal bloedplaatjes doen stijgen. Enkele jaren geleden is een nieuw geneesmiddel ontwikkeld dat specifiek gericht is tegen B-lymfocyten. Dit geneesmiddel, Rituximab, werd tot voor kort vooral gebruikt bij de behandeling van non-Hodgkin lymfomen. Recent zijn in verschillende onderzoeken gunstige effecten van rituximab bij ITP beschreven. Bij een aanzienlijk deel van de patiënten kan dit middel een verhoging van het aantal bloedplaatjes geven.

Eltrombopag en Romiplostim (Nplate)

In Nederland kan Romiplostim (Nplate, onderhuidse injecties) en Eltrombopag (Revolade, tabletten) voorgeschreven worden aan volwassen (18 jaar en ouder) patiënten waarbij de milt is verwijderd vanwege ITP en die eerder behandeld zijn met corticosteroiden of immunoglobulines en waarbij deze middelen niet (meer) werken. Romiplostim en Eltrombopag kunnen ook gebruikt worden bij reeds behandelde volwassen patiënten met chronische ITP waarbij een chirurgisch ingreep geen optie is.

Deze 2 zogenaamde TPO-receptor-agonisten beïnvloeden niet de onderliggende oorzaak van de ziekte en dus dient men bij het stoppen ervan, rekening te houden met weer (soms extra) lage aantallen bloedplaatjes. Het middel is wel bij ongeveer bij 80% van de patiënten effectief, alhoewel het optimaal doseren van het middel soms niet eenvoudig kan zijn. 

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

http://www.itp-pv.nl/

 

TTP


Wat is trombotische trombocytopenische purpura (TTP)?

Trombotische trombocytopenische purpura (TTP) is een zeldzame, levensbedreigende aandoening waarbij klonteringen van trombocyten (= bloedplaatjes) de kleine bloedvaten afsluiten.

Jaarlijks wordt de ziekte bij ongeveer 50 mensen in Nederland vastgesteld en vaker bij vrouwen dan bij mannen (verhouding 8 : 1). De aandoening kan op iedere leeftijd optreden, maar de meeste patiënten zijn tussen de 20 en 40 jaar.

TTP ontstaat in meer dan 96% van de patiënten door een aantoonbaar tekort van een bepaald enzym: ADAMTS13 enzym. Dit enzym breekt grote ketens van een bepaalde stollingseiwit (de zogenaamde Von Willebrand Factor (=vWF)) af tot kleinere eenheden. Door het tekort aan dit enzym (het zogenaamde ADAMTS13) ontstaan lange slierten van het stollingseiwit in de bloedvaten. Deze slierten beperken de vrije doorgang van bloedplaatjes. De bloedplaatjes klonteren samen tegen de vaatwand. Door deze samenklontering worden veel bloedplaatjes verbruikt en ontstaat een tekort (= trombocytopenie). Een tekort aan bloedplaatjes kan weer leiden tot bloedingen.

Bij een tijdige diagnose kan deze levensbedreigende aandoening bij 85% van de patiënten met succes worden behandeld.

Oorzaken

Er bestaan twee typen TTP: een verworven (niet-erfelijke) en een zeer zeldzame erfelijke vorm.  

Bij de verworven vorm is het ADAMTS13-gen zelf niet veranderd, maar maakt het eigen lichaam antistoffen aan die de activiteit van het ADAMTS13 enzym blokkeren.  De ziekte ontwikkelt zich meestal spontaan. Er is echter een aantal factoren dat TTP kan "triggeren":

  • Geneesmiddelen: bijvoorbeeld het anti-trombocyten geneesmiddel clopidogrel (Plavix), bepaalde anti-conceptiepillen, kinine (een middel tegen malaria) en ciclosporine
  • Zwangerschap. TTP kan zich elk moment tijdens de zwangerschap ontwikkelen, maar waarschijnlijk vooral tussen de 4 en 6 maanden. TTP heeft geen invloed op het ongeboren kind.  TTP kan ook later in de zwangerschap optreden of zelfs ná de geboorte en kan leiden tot hoge bloeddruk. Hierdoor is TTP soms moeilijk te onderscheiden van eclampsie. 
  • Infecties. Patiënten kunnen soms symptomen hebben die wijzen in de richting van een virale infectie - koorts, hoofdpijn, malaise en diarree - vóórdat er zich TTP symptomen ontwikkelen
  • HIV
  • Systemische lupus erythematosus (SLE), een inflammatoire (= met ontsteking gepaard gaande) bindweefsel-ziekte, kan ook tot de ontwikkeling van TTP leiden
  • Bij kanker van elk type kan TTP een complicatie zijn.  Totale lichaamsbestraling en ciclosporine zijn erkende risicofactoren. TTP kan ook optreden na een stamceltransplantatie 

De erfelijke vorm van TTP is extreem zeldzaam. Hierbij treden er mutaties op in het ADAMTS13-gen. Het lichaam maakt daardoor geen of geen normaal functionerend ADMTS13 enzym meer aan.

naar boven naar boven

Symptomen

Deze ziekte begint vaak met zeer algemene klachten van koorts, hoofdpijn, malaise en diarree. Wanneer de ziekte zich verder ontwikkelt en er kleine stolsels in de bloedvaten ontstaan, worden er steeds meer bloedplaatjes verbruik en ontstaat daaraan een tekort (= trombocytopenie) op. Dit kan bloedingen veroorzaken: neus- en tandvleesbloedingen, petechiën (kleine puntbloedinkjes) en soms zeer grote en donkere blauwe plekken. Soms kan bleekheid of geelzucht (een gelige kleur van de huid of oogwit) optreden of kan er wat bloed in de urine gevonden worden.

De klonteringen van bloedplaatjes verstoren de vrije doorstroom van het bloed in de bloedvaten (vooral in de hersenen en nieren). Daardoor kan een patiënt last kan krijgen van neurologische symptomen zoals hoofdpijn, verwardheid, moeilijk spreken, voorbijgaande verlamming, gevoelloosheid, insulten en een hoge bloeddruk (hypertensie). Ook kan er nierfunctieverlies optreden.  Door de gebrekkige bloedcirculatie kunnen de rode bloedcellen beschadigd raken (= microangiopathische anemie) waardoor de rode bloedcellen beschadigd raken en er bloedarmoede optreedt.

naar boven naar boven

Diagnose

Omdat er veel oorzaken bestaan voor een tekort aan bloedplaatjes, zijn de onderzoeken er op gericht andere oorzaken uit te sluiten. Bijna alle patiënten met TTP hebben een tekort aan het ADAMTS-13 enzym. Dit enzym verdwijnt uit het bloed omdat het eigen lichaam er antistoffen tegen aanmaakt. TTP is dan ook een auto-immuun ziekte.

Patiënten waarbij geen ADAMTS-13 enzym aanwezig is in het bloed, hebben met zekerheid TTP. Een bepaling van ADAMTS-13 kan binnen 1 á 2 werkdagen worden gedaan en maakt een duidelijke diagnose mogelijk. Eén van de laboratoria met snel diagnostiek is Sanquin (bloedbank) in Amsterdam.

De symptomen bij TTP vertonen gelijkenissen met die van het hemolytisch uremisch syndroom (HUS). HUS is echter een zeer plotseling optredende ernstige stoornis in het functioneren van de nieren, volgend op een darmontsteking met een E-coli bacterie, of op een luchtweginfectie. In tegenstelling tot bij TTP worden dan geen neurologische symptomen waargenomen.

  • anamnese
  • lichamelijk onderzoek (vaststellen van de ernst van de bloedingen)
  • compleet bloedbeeld. Het aantal bloedplaatjes en het uiterlijk van de rode bloedcellen wordt beoordeeld
  • laboratoriumonderzoek. Om onder andere de activiteit van het ADAMTS13 enzym te meten en de nierfunctie te bepalen

naar boven naar boven

Vooruitzichten

Bij een tijdige diagnose kan deze levensbedreigende aandoening bij 85% van de patiënten met succes worden behandeld.

naar boven naar boven

Behandeling

TTP is een levensbedreigende aandoening waarbij onmiddellijke behandeling dient plaats te vinden. Deze behandeling bestaat in de meeste gevallen uit:

  • Plasma therapie - het aanvullen van het ADAMTS13 enzym via het toedienen van tussen de 10 - 14 zakken vers donor plasma. Deze behandeling is intensief en vindt altijd in het ziekenhuis plaats. Vaak wordt een katheter in de lies geplaatst. Ook is plasma-uitwisseling (plasmaferese) mogelijk om de antistoffen uit het bloed te verwijderen die het ADAMTS13 enzym kunnen aantasten (bij TTP na een beenmerg transplantatie wordt geen plasmaferese uitgevoerd)
  • Een hoge dosis Prednison gedurende minstens 2 weken
  • Indien de TTP niet reageert op plasmaferese dan kunnen andere medicijnen worden toegediend. Een van deze medicijnen is Rituximab (Mabthera). Dit medicijn wordt per infuus gegeven en zorgt ervoor dat de antistoffen tegen ADAMTS-13 verdwijnen. Indien de TTP steeds terug komt dan valt te overwegen om de milt te verwijderen. Ook bij een TTP aanval die niet reageert op plasmaferese kan milt verwijdering een plaats hebben. Het aantal aanvallen zal daarna afnemen, maar dit is niet een garantie dat de TTP altijd wegblijft
  • Rode-bloedcelconcentraat bij een anemie
  • Trombocytenconcentraat bij levensbedreigende bloedingen

naar boven naar boven

Zwangerschap en TTP

Wanneer een patiënte TTP heeft doorgemaakt, is er een grote kans dat de ziekte in de zwangerschap weer terugkomt, met risico's voor de moeder en het kind. Het is van belang dit vooraf met de hematoloog en gynaecoloog te bespreken.

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

Artsen wachten op gezuiverd ADAMTS13. Indien dit bloedeiwit direct kan worden gegeven, dan is plasma wisseling misschien niet meer nodig.

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.bloedziekten.nl

naar boven naar boven

Trombose en embolie

Figuur 1
Stolling

Wat is trombose?

Wanneer een bloedvat beschadigd raakt en bloed buiten de bloedbaan treedt zal het lichaam zo snel mogelijk een stolsel vormen om het bloedverlies te beperken (zie figuur 1).

Daarom wordt bij een beschadiging een reeks reacties in gang gezet. Allereerst bewegen bloedplaatjes zich naar de plaats waar het bloedvat is beschadigd en hechten zich daar aan de kapotte vaatwand en aan elkaar (II). Hierdoor wordt een plaatjes-plug gevormd waardoor de bloeding wordt gestelpt. Dit stolsel is echter erg zwak en moet worden verstevigd. Tegelijkertijd komt weefselfactor vrij uit de beschadigde wand van het bloedvat. Weefselfactor activeert de bloedstolling door diverse niet-actieve stollingsfactoren in het bloed te activeren. Uiteindelijk wordt het eiwit protrombine omgezet in trombine. Trombine stimuleert de omzetting van fibrogeen tot fibrine. Dit vormt fibrinedraden en vormt zo een stevig netwerk rond de bloedplaatjes. Een stolsel is ontstaan en het bloeden is gestopt (III). Nadat de beschadiging is genezen, breekt het lichaam de stolsels weer af.

Trombose is een aandoening waarbij een stolsel wordt gevormd op een plaats waar dat niet hoort te gebeuren. Indien een stolsel zich bevindt in een ader (=vene), spreekt met van een veneuze trombose. Meestal is er sprake van een trombose in de ader van een been (trombosebeen) of arm (trombosearm). Indien er een stukje van het stolsel losschiet, wordt dat in de bloedbaan versleept en loopt dit vast in de longen. Dit heet een longembolie.

Indien een stolsel zich bevindt in een slagader spreekt men van arteriële trombose. Indien dit in een van de slagaders in de hersenen betreft leidt dit tot een herseninfarct, indien het optreedt in een van de kransslagaders van het hart, leidt dit tot een hartinfarct.

Bepaalde aandoeningen, erfelijke factoren of medicijnen, kunnen het bloedstollingsproces verstoren:

  • een toegenomen stolling door erfelijke stollings aandoeningen (Erfelijke trombofilie)
  • hormoonbehandeling, zoals het gebruik van de anti-conceptiepil
  • een trage bloedstroom door langdurige bedrust of lange perioden stilzitten (vliegreizen)
  • operaties
  • auto-immuunaandoeningen: anti-fosfolipiden syndroom (AFS)
  • beenmerg aandoeningen waarbij teveel bloedplaatjes of rode bloedcellen worden aangemaakt: ga naar Essentiele trombocythemie en ga naar Polycythemia Vera

Buiten deze oorzaken, zijn er factoren die het risico op het ontstaan van een trombose vergroten:

  • een eerder doorgemaakte trombose
  • trombose in de familie
  • oudere leeftijd
  • kanker
  • zwangerschap en de periode kort na de bevalling
  • overgewicht
Schema 1 - Erfelijkheid

De genmutaties bij erfelijke trombofilie zijn autosomaal dominant. Dit betekent dat één afwijkend gen op de chromosomen voldoende is om symptomen van de ziekte te ontwikkelen.

De meeste patiënten zijn heterozygoot (zij bezitten één afwijkend en en één gezond gen - situatie A, B, C en E)). Homozygote defecten (twee afwijkende genen)  zijn theoretisch mogelijk maar komen in de praktijk zeer zelden voor (situatie A, B en D)

Erfelijkheid sikkelcelziekte

Erfelijke trombofilie (verhoogde neiging tot veneuze trombose)

Genetische oorzaken van overmatige bloedstolling zijn meestal te wijten aan gen-mutaties (veranderingen van een gen) die voor een verhoogd trombine gehalte in het bloed zorgen of de stolling onvoldoende remmen:

  • Factor V Leiden gen (FVL-gen): zorgt ervoor dat werkzaam factor V niet wordt afgebroken en daardoor tot een stollingsneiging
  • Antitrombine-III (AT-III gen) zorgt ervoor dat de stolling niet voldoende wordt geremd en resulteert in teveel stolling
  • Protrombine of Factor II genvariant (FII-gen) - zorgt ervoor dat er hoge factor II spiegels in het bloed zijn, waardoor meer stolling.
  • Proteïne C deficiëntie zorgt ervoor dat de stolling niet voldoende wordt geremd en resulteert in teveel stolling
  • Proteïne S deficiënties zorgt ervoor dat de stolling niet voldoende wordt geremd en resulteert in teveel stolling

Het zijn alle autosomaal-dominante aandoeningen (zie schema 1 - erfelijkheid).

Complicaties

Bloedstolsels kunnen zich vormen in/verplaatsen naar de slagaders of aders in de hersenen, hart, nieren, longen en ledematen. Daar kunnen zij de bloedstroom blokkeren, waardoor (soms levensbedreigbare) complicaties kunnen ontstaan:

  • Beroerte of herseninfarct (een bloedstolsel in de hersenen)
  • Hartaanval of hartinfarct (een bloedstolsel in het hart waardoor de bloedtoevoer naar de hartspier geblokkeerd raakt)
  • Nierproblemen en nierfalen
  • Zwangerschap gerelateerde problemen.  Bloedstolsels kunnen leiden tot miskramen, doodgeboorten, en andere zwangerschap gerelateerde problemen, zoals pre eclampsie (hoge bloeddruk die optreedt tijdens de zwangerschap).
  • Diepe veneuze trombose
  • Post-trombotisch syndroom
  • Longembolie

Diepe veneuze trombose (DVT)

Diepe veneuze trombose (DVT) is de vorming van een bloedstolsel (een "trombus") in de diep gelegen aderen (=venen) van het been. Het is een ernstige aandoening die kan leiden tot permanente schade aan het been (het zogenaamde post-trombotische syndroom), of – wanneer het stolsel los laat - een levensgevaarlijke longembolie.

De diepe aderen van het been zijn omringd door spiermassa’s die het zuurstofarme bloed naar de bloed en longen vervoeren. In de aderen bevinden zich kleppen die voorkomen dat het bloed tussen de hartslagen in, terugstroomt. Wanneer de bloedcirculatie vertraagt als gevolg van ziekte, letsel of inactiviteit, kan bloed zich ophopen en kan stolselvorming optreden.

Longembolie

Het bloedstolsel in een diepe ader kan afbreken en via de bloedbaan naar andere plaatsen van het lichaam reizen. We spreken in dat geval van een "embolus". Een embolus kan een slagader in de longen blokkeren. Door de gebrekkige bloedtoevoer naar longweefsel die dan optreedt, kan schade aan een deel van de long ontstaan.

Veneuze trombotische embolie (VTE)

De term veneuze trombotische embolie (VTE) wordt voor zowel diepe veneuze trombose (DVT) als voor een longembolie gebruikt.

Post-trombotisch Syndroom

Het post-trombotische syndroom treedt vaak op (in 60-70% van de gevallen) na een diepe veneuze trombose.  De bloedverdunners lossen het bestaande stolsel niet op, maar voorkomen dat zich nieuwe stolsels vormen. Het stolsel heeft dan tussentijds de ader kunnen beschadigen. Dit leidt tot chronische pijn in het been, vermoeidheid, zwellingen - en in extreme gevallen - ernstige huidzweren.

naar boven naar boven

Symptomen

De symptomen bij een DVT zijn: 

  • verkleuring van de benen en een warme huid;
  • pijn van de kuit of het been;
  • zwelling van de kuit of het been;
  • de oppervlakkige aderen zijn meer zichtbaar;
  • vermoeidheid in de benen.

De symptomen van een longembolie zijn niet specifiek voor dit ziektebeeld en komen ook bij andere long-hart aandoening voor: 

  • kortademigheid;
  • een snelle pols;
  • overmatig zweten;
  • pijn op de borst;
  • het ophoesten van bloed;
  • flauwvallen.

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese. Hierbij wordt aan de hand van een aantal vaste vragen de waarschijnlijkheid van trombose of longembolie vastgesteld.
  • Lichamelijk onderzoek. Hierbij wordt gelet op tekenen van een trombose been of longembolie, bloeddruk, hartslag, en worden de longen beluisterd.
  • Compleet bloedbeeld
  • Laboratoriumonderzoek:
    • meting van de hoeveelheid zuurstof en kooldioxide in de aderen (arteriële bloedgas);
    • meting van bepaalde stollingseiwitten in het bloed, die aangeven dat er stolling gaande is;
    • eventueel genetische testen naar het bestaan van een erfelijke stollingsstoornis.
  • Radiologisch onderzoek:
    • Een echografie van de bloedvaten in het aangedane been of een venografie waarbij een kleurstof in de ader wordt geïnjecteerd. Deze kleurstof maakt de ader – en eventuele stolsels - zichtbaar op een röntgenfoto. Minder gebruikte radiologische testen zijn een MRI of CT-scan
    • Bij de verdenking van het bestaan van een longembolie wordt meestal een CT scan van de longen gemaakt . Hiermee kan een longembolie worden vastgesteld of uitgesloten. Soms wordt een ventilatie-perfusie long scan (VQ-scan) gemaakt. Deze scan is bedoeld om te onderzoeken hoe de zuurstofvoorziening van de longen is en of bloed stroomt naar alle delen van de longen
    • Ook een pulmonaire angiografie is een test voor de diagnose van een longembolie. Een flexibele buis (catheter) wordt via de lies naar de bloedvaten in de long gevoerd. Vervolgens wordt een kleurstof ingespoten en worden de bloedvaten in de longen door middel van een röntgenfoto beoordeeld. Dit onderzoek is zelden meer nodig.

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.hartenvaatgroep.nl (algemeen hart- en vaatziekten)

www.fnt.nl

www.trombosestichting.nl

 

naar boven naar boven

Primaire hemochromatose


Inleiding

Hemochromatose (synoniem: ijzerstapelingsziekte) is een ziekte waarbij ijzer wordt opgeslagen in vooral de lever, het hart of de alvleesklier. Te veel ijzer in de lever kan leiden tot een vergrote lever, leverfalen, leverkanker of levercirrose (=vorming van littekenweefsel in de lever). Ijzerstapeling in het hart kan leiden tot een onregelmatige hartslag, en hartfalen. In de alvleesklier kan de ijzerstapeling leiden tot diabetes.

Hemochromatose is één van de meest voorkomende erfelijke aandoeningen. Niet iedereen ondervindt echter klachten of vertoont symptomen van de ziekte. De ernst van hemochromatose varieert van persoon tot persoon en kan worden beïnvloed door bepaalde externe factoren.  Alcoholgebruik kan de door de hemochromatose veroorzaakte schade aan de lever verergeren. Ook een hepatitis infectie kan de lever verder verzwakken.

Er zijn twee soorten hemochromatosis: primaire en secundaire.

Primaire/erfelijke hemochromatose

Primaire hemochromatose kenmerkt zich door een afwijking in bepaalde genen (de zogenaamde HFE genen). Door deze defecte HFE genen, absorbeert het lichaam teveel ijzer uit de voeding.  Als beide ouders "drager" zijn van het defecte gen HFE, dan hebben hun kinderen een kans van 25% om twee defecte HFE genen te erven. Wanneer door beide ouders een defect HFE gen aan het kind wordt doorgegeven, kan bij dit kind ijzerstapeling optreden. Wanneer slechts van één ouder een defect HFE gen wordt geërfd, spreken we van een hemochromatose "drager". Deze drager zal in het algemeen geen klachten ervaren.

Hoewel dit zeer zelden voorkomt, kunnen ook andere abnormale genen hemochromatose veroorzaken.

Secundaire hemochromatose

Secundaire hemochromatose is meestal het gevolg van een andere aandoening of bepaalde externe factoren, zoals onder andere:

naar boven naar boven

Symptomen

Veel mensen hebben nauwelijks klachten wanneer de ziekte wordt vastgesteld. Symptomen treden vaak op vanaf een leeftijd van 30 - 40 jaar. Gewrichtspijn is de meest voorkomende klacht. Andere vaak voorkomende symptomen zijn vermoeidheid, gebrek aan energie, buikpijn, verlies van libido en hartproblemen.  Als de ziekte niet tijdig wordt ontdekt en behandeld zal het ijzer zich ophopen in lichaamsweefsels, wat kan leiden tot:

  • artritis
  • vergrootte lever, levercirrose of leverfalen
  • schade aan de alvleesklier
  • hartafwijkingen, zoals ritmestoornissen of hartfalen
  • slechte schildklier werking
  • schade aan de bijnier
  • impotentie
  • vroege menopauze
  • grijze verkleuring van de huid

naar boven naar boven

Diagnose

  • Anamnese
  • Lichamelijk onderzoek
  • Compleet bloedbeeld: telling van het aantal bloedplaatjes
  • Laboratoriumonderzoek: bepaling op de ijzerverzadiging van en de hoeveelheid ferritine (een ijzerbindend eiwit) in het bloed. Deze uitslagen zijn een maat voor de hoeveelheid ijzer in het lichaam. Indien deze uitslagen verhoogd zijn, dan is aanvullend genetisch onderzoek naar HFE gen mutaties aangewezen
  • Radiologisch onderzoek: een lever biopsie is zelden aan de orde. Soms wordt wel een MRI scan van de lever gemaakt om de ijzerstapeling goed vast te leggen. Indien er sprake is van lever cirrose (verbindweefseling) dan is regelmatig echografisch onderzoek van de lever nodig. Er is in die gevallen een verhoogd risico op het ontwikkelen van lever tumoren (het zogenaamde levercel carcinoom)
  • Genetisch onderzoek: indien de patiënt homozygoot is voor het HFE gen (dit betekent dat de patiënt van zowel de moeder als de vader een afwijkend gen heeft geërfd) dan is familie onderzoek bij zussen en broers aangewezen. 

naar boven naar boven

Vooruitzichten

De vooruitzichten voor hemochromatose patiënten zijn grotendeels afhankelijk van de schade die al aan organen is toegebracht op het moment van de diagnose. Vroege diagnose en behandeling zijn dan ook van belang. Een behandeling kan complicaties voorkomen en klachten beperken. Patiënten die vroeg gediagnosticeerd en behandeld worden, hebben een normale levensverwachting.  Indien hemochromatose onbehandeld blijft, kan dit leiden tot ernstige orgaanschade en zelfs de dood.

naar boven naar boven

Behandeling

De behandeling van primaire hemochromatose bestaat uit aderlatingen (" flebotomie" of het afnemen van hoeveelheden bloed), die als er tijdig mee wordt begonnen, ernstige weefselschade kunnen voorkomen. Secundaire hemochromatose wordt met medicijnen behandeld.

naar boven naar boven

Nieuwe ontwikkelingen

naar boven naar boven

Patiëntenorganisatie

www.hemochromatose.nl

naar boven naar boven