quiz2002


1. De tumorcellen van dit maligne lymfoom zijn: CD15- CD19+ CD30+ Wat is dit waarschijnlijk voor maligniteit?



a) Hodgkin classical type
b) NLPHL (Hodgkin nodular paragranuloma)
c) ALCL (Anaplastic Large cell Lymphoma, Ki-1+)
d) Mediastinal B cell lymphoma
2. Tumorcellen zijn CD138-positief
Waar staat CD138 eigenlijk voor?



a) Myeloma protein 1
b) Syndecan 1
c) IL-6 receptor
d) Heparin-bearing proteoglycan
3. Wat is de prevalentie van Hemofilie A in Nederland?



a) 1 per 6.000 mannen
b) 1 per 30.000 mannen
c) 1 per 60.000 mannen
d) 1 per 300.000 mannen
4. Jongetje 4 jaar met koorts en anemie: Hb 3.6 mmol; Ht 0.177; MCV 93; MCH 1.89; MCHC 20.3; reti’s 0.051
Waar past dit rode bloedbeeld bij?



a) Sikkelcel anemie
b) Hereditaire pyropoikilocytose
c) G6PD deficiëntie
d) McLeod fenotype hemolytische anemie
5. Wie was dit?



a) Dr. Jan van Hartogvelt
b) Zelfportret Rembrandt van Rijn
c) Dr. Nicolaas Tulp
d) Dr. Frans Hercules
6. National Cancer Institute sponsored study of classifications of non-Hodgkin\'s lymphomas: summary and description of a Working Formulation for clinical usage. The Non-Hodgkin\'s Lymphoma Pathologic Classification Project. .. Cancer 1982;49:2112-35
Wie was de geestelijke "vader" van dit beroemde artikel?

a) Karl Lennert
b) Nancy Harris
c) Saul Rosenberg
d) Henry Rappaport
7. 18-jarige patiënte met nieuw vriendje, keelpijn en koorts; leuco\'s 22x109/l
Wat is het immunofenotype van deze cellen?



a) CD19+CD20+ polyclonale B-cellen
b) CD19+EBER+ oligoclonale B-cellen
c) CD3+CD8+ T-cellen
d) CD3+CD4+ T-cellen
8. Man, 11-12-1976 met nierinsufficientie en Hb 6.5, leuco 3.2, trombo 134. Beenmergbiopt:
Waar past dit beenmerg bij?



a) Jicht
b) Pseudojicht
c) Oxalose
d) Cholesterolembolieën
9. t(12;21)(p13;q22), de meest voorkomende cytogenetische afwijking bij kinder ALL
Welke genen zijn betrokken bij deze translocatie t(12;21)(p13;q22)?



a) ETV6 en ABL
b) MLL en AF4
c) TEL en AML1
d) TAL-1 en SIL
10. Patiente uit Curacao met hypercalciemie, leukocytose en deze circulerende cellen.Welk immunofenotype?
Wat voor fenotype verwacht u van deze flower-achtige cellen?



a) CD3+CD4+CD25+;
b) CD3+CD8+HLA-DR+;
c) CD2+CD3+CD56+;
d) CD2+CD3-CD4+;
11. Thalassemie - terminologie: wat wordt er verstaan onder de zogenaamde HbH ziekte?

a) Alpha-thalassemie met 3 normale genen en 1 abnormale
b) Alpha-thalassemie met 2 normale genen en 2 abnormale
c) Alpha-thalassemie met 1 normaal gen en 3 abnormale
d) Andere benaming voor beta-thalassemie major
12. Jan Gosta Waldenström
Wanneer leefde deze beroemde Zweedse Hematoloog?



a) 1890 - 1961
b) 1875 - 1945
c) 1906 - 1996
d) 1902 - 1958
13. Onze voorzitter van de NVvH…. Wat biedt hij hier aan?
Wat biedt onze voorzitter van de NVvH hier aan?



a) Het erelidmaatschap van de NVvH aan Prof. Löwenberg
b) Een partij oesters van een dankbare patient uit Zeeland
c) Een prent van de Hooglandse Kerk, die hij slechts met de grootste moeite kon verkrijgen
d) Een set Leidse klappers
14. Welke bloedafwijkingen zijn obligaat bij het Shwachman-Diamond syndroom?

a) Trombocytopenie
b) Granulocytopenie
c) Lymfocytopenie
d) Anemie
15. Waar staat het POEMS syndroom voor?

a) Paraproteinemia, Organomegaly, Endocrinopathy, Mononeuropathy, Skin changes
b) Polyneuropathy, Organomegaly, Endocrinopathy, M-Protein, Skin changes
c) Paraproteinemia, Ocular changes, Endocrinopathy, Mononeuropathy, Skin changes
d) Polyneuropathy, Ocular changes, Endocrinopathy, M-protein, Skin changes
16. Mantel cel lymfoom heeft karakteristiek een t(11;14) translocatie

Welk eiwit komt door de t(11;14) tot overexpressie bij het mantelcel lymfoom?



a) MLL eiwit
b) Bcl-2
c) Cycline D1
d) Bcl-1
17. Verlaging van het von Willebrandfactor-cleaving protease (ADAMTS 13) is:



a) aanwezig bij TTP
b) aanwezig bij microangiopathische hemolyse met trombocytopenie en trombose
c) discriminerend voor TTP versus HUS
d) indicatief voor effectiviteit van plasmaferese
18. Welke celpopulatie met de volgende kenmerken komt niet voor bij normale proefpersonen?

a) t(14;18)
b) CD5+CD79b+CD20+CD23+;
c) t(15;17)
d) CD3+CD56+;
19. De leeftijd waarop hemochromatose zich klinisch manifesteert is onder andere afhankelijk van de aanwezige genmutatie. Welke genmutatie geeft het meest aanleiding tot vroege ijzerstapeling?Welke genmutatie geeft het meest aanleiding tot vroeg optredende ijzerstapeling?

a) C282Y (HFE)
b) H63D (HFE)
c) mutatie in 1q21 (HFE2)
d) mutatie in TFR2 gen
20. Wat voor vogel heeft deze bloed-rode borst?



a) kluut
b) wulp
c) grutto
d) tureluur
21. Wat is de specificiteit en sensitiviteit van ultrasonografie voor de detectie van veneuze trombose in de bovenarm?Ultrasonografie heeft een specificiteit / sensitiviteit (%/%) van:

a) 80/50
b) 80/80
c) 50/50
d) 50/80
22. Een overgeplaatste patiëntt met een ernstige bloeding heeft volgens zijn bloedgroep-kaart A pos, maar blijkt bij bepaling 0 pos
Wat geeft u deze patiënt?

a) Ery's: 0 pos, Plasma: A
b) Ery's: 0 pos , Plasma: 0
c) Ery's: 0 neg , Plasma: AB
d) Ery's: 0 neg , Plasma: B
23. Substraten voor trombine zijn fibrinogeen en bloedplaatjes. Hoeveel procent van de totale hoeveelheid trombine die in een plasmamodel kan worden gegenereerd, is nodig om fibrinevorming en bloedplaatjes aggregatie te geven?

Hoeveel % van trombine is nodig om fibrinevorming en bloedplaatjes- aggregatie te geven?

a) >5%
b) ongeveer 20%
c) ongeveer 50%
d) >95%
24. Na toepassing van abciximab kan trombocytopenie ontstaan. Wat is de oorzaak hiervan?

Trombocytopenie na abciximab:



a) ontstaat door intravasale aggregatie
b) ontstaat door antistofvorming
c) treedt niet op na eerste toediening
d) treedt alleen op in samenhang met heparine
25.
Moeder: O neg ; ccdee; Kneg; Anti-D zwak; Anti-K sterk
Vader: A pos; CcDEe; Kneg; n.v.t.; n.v.t.
Kind: O neg; CcDee; Kpos; Anti-D neg; Anti-K pos

Bij het 1 dag oude kind is alleen anti-K aantoonbaar en niet anti-D. Dat komt omdat:

a) moeder anti-D gehad heeft
b) anti-K de placenta passeert
c) K een sterker immunogeen is dan D
d) anti-D verbruikt is door hemolyse
26. Wat zijn de voor- en nadelen van de Platelet Function Analyzer (PFA-100) closure time test?

De Platelet Function Analyzer (PFA-100) closure time test is:

a) niet bruikbaar voor Von Willebrandziekte detectie
b) gevoelig voor trombocytopenie
c) een maat voor de bloedingsneiging bij aspirine
d) gevoelig voor hypofibrinogenemie
27. Regelmatige alcohol-consumptie vermindert het aantal coronair-events. Welke factor speelt daar in ieder geval geen rol bij?

Regelmatige alcoholconsumptie vermindert de kans op een coronair event niet door:

a) vermindering van LDL-c
b) verhoging van HDL-c
c) toename van fibrinolyse
d) vermindering van bloedplaatjesfunctie
28. Waarom heeft phenprocoumon bij chronische orale antistollingtherapie de voorkeur boven acenocoumarol?

Waarom is phenprocoumon beter dan acenocoumarol?

a) er treden minder bloedingen op
b) er wordt stabielere antistolling gerealiseerd
c) er treedt minder (recidief) trombose op
d) alledrie de antwoorden zijn goed
29. Wie is de auteur van het boek met de titel Geronnen Bloed?

a) René Appel
b) Edu Kisman
c) Hella Haase
d) Willem Brakman
30. Hoe werkt een COX-2 remmer t.o.v de trombocyten?



a) antagoneert de plaatjesremmende werking van aspirine
b) geeft geen aggregatiedefect
c) induceert de vorming van COX-1
d) Alle drie de alternatieven zijn goed
31. U heeft een patient met verdenking CML, en krijgt de volgende uitslag na het doen van cytogenetisch onderzoek:..nuc ish 9q34(ABLx2),22q11(BCRx2)(ABL con BCRx1): 88%

Wat betekent deze terminologie?

a) 88% van de interfase kernen heeft twee t(9;22)
b) 88% van de interfase kernen heeft één t(9;22)
c) 88% van de metafase kernen heeft twee t(9;22)
d) 88% van de metafase kernen heeft één t(9;22)
This is the feedback!
Back to Top