Quiz 2003 - Dutch Hematology Congress


1. Hoe heet deze afwijking?



a) Cabot ringen
b) Heinz bodies
c) Babesiosis
d) Pappenheimer bodies
2. Wat zijn de criteria die samen de Sokal score vormen?



a) % blasten bloed, leukogetal, trombogetal, miltgrootte
b) % blasten BM, trombogetal, % basofielen bloed, miltgrootte
c) % blasten BM, trombogetal, leeftijd, % basofielen bloed, miltgrootte
d) % blasten bloed, trombogetal, leeftijd, miltgrootte
3. Hoe heette deze mythologische figuur?



a) Daidalos
b) Heracles
c) Orpheus
d) Prometheus
4. De sensitiviteit van de FDG-PET scan is <90% bij



a) Mantelcel lymfoom
b) Marginale zone lymfoom
c) Hodgkin lymfoom
d) Diffuus grootcellig B cel lymfoom
5. Wat is de beste bepaling om een slechte prognose voor CLL te voorspellen?



a) >80% CD38 positiviteit
b) Aanwezigheid van hypermutatie van de immuunglobuline genen
c) Afwezigheid van hypermutatie van de immuunglobuline genen
d) Afwezigheid (<20%) van ZAP-70 eiwit
6. De diagnose is



a) von Willebrand type I
b) von Willebrand type IIN
c) von Willebrand type IIb
d) carrier hemofilie A
7. De behandeling bestaat uit



a) fVIII concentraat
b) DDAVP
c) vWF concentraat
d) geactiveerd factor VII
8. Hoe interpreteert u de resultaten?



a) Nog 6% ALL-cellen aantoonbaar
b) Nog 58% ALL-cellen aanwezig; door een ‘phenotypic shift’ zijn de cellen nu grotendeels TdT-negatief
c) Immunofenotypisch in remissie
d) Geen oordeel mogelijk; Cd10/TdT zit ook op gezonde precursor B cellen (hematogoniën)
9. Welk cytostaticum wordt van deze bekende tuinplant gemaakt?



a) Taxol
b) Vincristine
c) Taxotere
d) Vinblastine
10. Waar is dit klinische beeld typisch voor?



a) Remmer faktor VIII
b) Mucormycosis bij granulocytopenie
c) AL amyloidosis
d) Acute promyelocyten leukemie
11. De frequentie van die verschijnselen is:



a) 1 %
b) 20 %
c) 50 %
d) 90 %
12. Wat is het immunofenotype van deze cellen?



a) CD19+ CD20+ polyclonale B cellen
b) CD19+ EBER oligoclonale B cellen
c) CD3+ CD8+ T cellen
d) CD3+ CD4+ T cellen
13. Anti-Wr



a) Is een beter agglutinine bij 37ºC dan bij 22ºC
b) Wordt alleen gevonden bij al eerder getransfundeerde patienten
c) Is een IgM antistof
d) Kan aanleiding geven tot HDN; HDN=hemolytic disease of the newborn
14. Wie heeft dit principe geintroduceerd?



a) Plato 427 -347 bc
b) Machiavelli 1469-1572
c) Locke 1632-1704
d) Montesquieu 1689-1755
15. Welke mutatie of afwijking komt het meest frequent voor bij AML?



a) Flt3 mutatie
b) Mutatie in AML1
c) Mutatie in 11q23
d) Mutatie in het gebied van 5q
16. Welke translocatie is typisch voor MALT-geassocieerd NHL?



a) t(11;14) met bcl1 en IgH
b) t(11;14) met MLT1 en IgH
c) t(11;18) met API1 en MLT1
d) t(11;18) met API1 en bcl-2
17. Wiens portret is dit?



a) Waldenström
b) Von Willebrand
c) Moscovitch
d) Werlhof
18. Wat is HbH ziekte?



a) 2 alfa globuline gen deleties/mutaties in cis (beide zelfde chromosoom)
b) 2 alfa globuline gen deleties/mutaties in trans (1 op elk van beide chromosomen)
c) 3 alfa globuline gen deletie/mutaties
d) 4 alfa globuline gen deletie/mutaties
19. Waarvoor werd/wordt de Kleihauer-Betke test gebruikt?



a) Kwantificering van foetaal HbF
b) Vroegere detectie voor Kala Azar in bloed of beenmerg
c) Semi-kwantificering van fibrinogeen
d) In vitro sikkelcel provocatie test
20. Welke is de bloedooievaarsbek?



a) Linksboven
b) Rechtsboven
c) Linksonder
d) Rechtsonder
21. De eerste hulp bij ongelukken bij PTP is: (PTP = post-transfusie-purpura)



a) Plaatjestransfusie met randomdonoren
b) Hoge dosis gammaglobuline
c) Plaatjestransfusie, HPA-1a negatief
d) Hoge dosis methylprednisolon
22. Welke afwijking past karakteristiek bij deze megakaryocyten?



a) MDS met del(5)(q32) (5q- syndroom)
b) ITP
c) CML
d) Essentiele trombocytemie
23. Voor TFPI geldt:



a) De plasmaspiegel wordt niet beinvloed door pilgebruik
b) De homozygoot deficiente status is niet levensvatbaar
c) Vormt een complex met factor VIIa
d) De heterozygoot deficiente status is een risicofactor voor trombose
24. De anemie van de chronische ziekten is geassocieerd met:



a) Reticulo-endotheliaal “block” voor ijzer
b) Verhoogde spiegels van inflammatoire cyokines
c) Verhoogd niveau van erytropoietine
d) Verminderde globine synthese
25. Welke afwijking is karakteristiek voor juveniele CMML?



a) Aanwezigheid van t(9;22)
b) Verhoogd HbF gehalte
c) Toename van basofielen in bloed
d) Toename van myeloide precursors in het bloed met < 1 x 109/l monocyten
26. Welke afwijking is verantwoordelijk voor het ALPS?



a) Mutatie in FAS (CD95)
b) Mutatie in gamma keten IL-receptoren
c) Mutatie in IL-2 receptor
d) Mutatie in IL-7 receptor
27. Waarom is bloedkoraal rood?



a) Het groeit voornamelijk in de Rode Zee
b) Het is niet rood; de kleur wordt toegevoegd na plukken dmv ammoniak
c) Idem, de kleur ontstaat pas na behandeling met peroxide
d) Algen zijn verantwoordelijk voor de kleur
28. Deze afwijking bij aortaklepstenose .....



a) Is geassocieerd met internalisering van de GPIbr eceptor op bloedplaatjes
b) Wordt veroorzaakt door verhoogde proteolyse van von Willebrandeiwit
c) Is snel reversibel na prothese-implantatie
d) Heeft de karakteristieken van von Willebrandziekte type IIb
29. Wat betekent 46,XX,der(1)t(1;3)(p22;q13)



a) 1 normaal chr. 1; 1 normaal chr. 3, en een gebalanceerde translocatie tussen 1 en 3
b) 1 normaal chr. 1; 1 chr. 1 met stukje van 3 op de korte arm; 2 normale chr. 3
c) 1 derivative chr. 1 met stukje van 3 op de korte arm, 2 normale chr. 3
d) 2 normale chr. 1; 1 derivative chr. 1 met stukje van 3; 2 normale chr. 3
30. Wie schilderde het doek: who is afraid of red.....?



a) Piet Mondriaan
b) Benjamin Marshall
c) David Newton
d) Barnet Newman
This is the feedback!
Back to Top