Quiz 2010 - Dutch hematology Congress


1. Welke cytogenetische afwijking heeft deze mannelijke patiënt?



a) Syndroom van Down (47,XY,+21)
b) Klinefelter syndroom (46,XXY)
c) Verlies van chromosoom Y (46,X,-Y)
d) Fragile X syndroom (46,XY)
2. Wat wordt bedoeld met hemofilie C?



a) Deficiëntie van factor VII
b) Deficiëntie van factor XI
c) Passagère vorm van hemofilie A
d) Nepvraag, bestaat niet
3. Bij welk ziektebeeld passen deze cellen?



a) T-NHL met hemofagocytose
b) Ziekte van Gaucher
c) Histiocytosis X
d) Leishmania
4. Welke merkercombinatie is karakteristiek bij HCL? (als er maar 2 mogen ingezet worden)



a) CD10, CD20
b) CD5, CD103
c) CD10, CD23
d) CD20, CD103
5. Waar is dit PA beeld typisch voor?



a) Hodgkin lymfoom
b) Burkitt lymfoom
c) Folliculair lymfoom
d) Malt lymfoom
6. Trali door bloedtransfusie



a) Heeft een mortaliteit van 25-30%
b) Wordt vooral gekenmerkt door bronchospasme
c) Komt alleen voor na transfusie van een plasmaproduct
d) Wordt als regel veroorzaakt door antilichamen tegen leukocyten+
7. Welke naam hoort hier te staan?



a) Armand Trousseau
b) Rudolf Virchow
c) Erik Adolf Von Willebrand
d) Paul Gotlieb Werlhof
8. waarom hebben deze ijsvissen wit bloed?



a) Het bloed bevat geen hemoglobine
b) Deze vissen ontwikkelen een extreme leukocytose
c) Het is een artefact: door de lage temperatuur in het zuidpoolgebied denatureert het bloed ex vivo en kleurt het wit
d) Het bloed van deze vissen bevat veel visolie -antivries- dat het bloed melkachtig kleurt
9. Wat zou de oorzaak van de anemie kunnen zijn?



a) EBV lymfoom
b) Mononucleosis infectiosa
c) Pure red cell aplasie door Parvo B19
d) Vit B12 deficiëntie
10. Hoeveel beenmerg en lymfklieren zouden we hebben zonder Apoptose?



a) 2 kilo
b) 20 kilo
c) 200 kilo
d) 2000 kilo
11. Welk T-NHL kan karakteristiek EBV positief zijn?



a) Angioimmunoblastair T lymfoom
b) Enteropathie-geassocieerd T lymfoom
c) Anaplastisch large cell lymfoom, (ALK+)
d) Anaplastisch large cell lymfoom, (ALK-)
12. Welke immuno verwacht u op deze bloedcellen?



a) CD5, CD19, monoclonaal IgM kappa
b) CD19, CD20, monoclonaal IgM kappa
c) CD3, CD4, CD5
d) CD2, CD3, CD8
13. Wat zou de oorzaak van de pancytopenie kunnen zijn?



a) Aplastische anemie
b) Hairy cell leukemie
c) Myelofibrose
d) Hypoplastische MDS/AML
14. Welke kleuring heeft de patholoog gebruikt?



a) CD34
b) Anti-histamine
c) Anti-tryptase
d) CD123 (IL3-receptor)
15. Wat is de beste diagnostiek om een PHN aan te tonen bij deze patiënte?



a) Acid Ham test
b) Sucrose lysis test
c) Flowcytometrie van de erytrocyten
d) Flowcytometrie van de granulocyten
16. Welk eiwit betreft het hier?



a) Factor VII
b) Factor VIII
c) Factor IX
d) Factor XI
17. Welke moleculaire afwijking bij RARS-T?



a) KIT mutatie
b) JAK-2 mutatie
c) NPM mutatie
d) Flt3 mutatie
18. uit welke cellen bestaat dit gerecht?



a) T cellen
b) B cellen
c) Monocyten
d) Voorloper myeloide cellen
19. Trombopenie in de zwangerschap



a) Lupus anticoagulant
b) Vervolgen bloedplaatjesaantal
c) Beenmergpunctie
d) Auto-antistoffen tegen bloedplaatjes
20. Welke studie betrof dit?



a) Multipel myeloom: VAD vs TAD
b) CML: Ara-C/IFN versus Imatinib
c) DLBCL: CHOP vs R-CHOP
d) Hodgkin: ABVD vs BEACOPP
21. Wat is GEEN risicofactor voor secondaire MF bij PV?



a) LDH verhoging
b) Miltgrootte
c) Mate van endogene megakaryocyten kolonie vorming
d) Homozygotie voor JAK-2 V617F mutatie
22. Wie wonnen deze Nobelprijs?



a) Peter Nowell & David Hungerford
b) Michael Bishop & Harold Varmus
c) Georges Köhler & César Milstein
d) Paul Greengard & Erik Kandel
23. Van wie is dit schilderij?



a) Jan Steen
b) Pieter Breughel de oudere
c) Jeroen Bosch
d) Paulus Potter
24. Bij welke maligniteit past deze cytogenetische afwijkingen karakteristiek?



a) Mediastinaal B cel lymfoom
b) Diffuus grootcellig B cel lymfoom
c) T lymfoblastair lymfoom
d) Anaplastisch large cell lymfoom
25. Welke factor is het meest trombofiel?



a) Factor V Leiden
b) Factor II mutatie
c) Antitrombine deficiëntie
d) Verhoogd factor VIII
This is the feedback!
Back to Top